Vocabulaireverzameling Alledaagse voorwerpen in SAT Science-woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Alledaagse voorwerpen' in 'SAT Science-woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) gereedschap, werktuig, gerei
Voorbeeld:
(noun) porselein;
(adjective) porseleinen
Voorbeeld:
(noun) kledingstuk, gewaad
Voorbeeld:
(noun) apparaat, uitrusting, systeem
Voorbeeld:
(noun) lont;
(verb) afvoeren, absorberen
Voorbeeld:
(noun) kurkentrekker, spiraal, kurkentrekkerbeweging;
(verb) spiraalsgewijs bewegen, zich een weg banen;
(adjective) spiraalvormig, kurkentrekkerachtig
Voorbeeld:
(noun) draaitafel, platenspeler, draaischijf
Voorbeeld:
(noun) pamflet, folder, brochure
Voorbeeld:
(noun) zuiveraar, reiniger
Voorbeeld:
(adjective) reserve, extra, mager;
(verb) missen, ontberen, sparen;
(noun) reserveonderdeel, reservewiel
Voorbeeld:
(noun) bon, kwitantie, ontvangst
Voorbeeld:
(noun) puin, afval, brokstukken
Voorbeeld:
(noun) wattenstaafje, uitstrijkje;
(verb) schoonmaken, deppen
Voorbeeld:
(noun) bus, blik, cilinder
Voorbeeld:
(noun) katrol
Voorbeeld:
(noun) korrel, pellet, kogeltje
Voorbeeld:
(noun) cisterne, regenbak, spoelbak
Voorbeeld:
(noun) vlot, grote hoeveelheid, reeks;
(verb) vlotten, per vlot vervoeren
Voorbeeld:
(noun) klem, bankschroef;
(verb) klemmen, vastklemmen
Voorbeeld:
(noun) scherf, stuk
Voorbeeld:
(noun) traliehek, latwerk, rooster
Voorbeeld:
(noun) dispenser, automaat, verdeler
Voorbeeld:
(noun) schraper, wolkenkrabber
Voorbeeld:
(noun) rozet
Voorbeeld:
(noun) kroonluchter
Voorbeeld:
(noun) tuig, harnas, gordel;
(verb) aantuigen, inspannen, benutten
Voorbeeld:
(noun) springplank
Voorbeeld:
(noun) armband, bengel
Voorbeeld:
(noun) draperie, gordijnen, plooien
Voorbeeld:
(noun) souvenir, aandenken
Voorbeeld:
(noun) aandenken, souvenir
Voorbeeld:
(noun) draad, streng, strand;
(verb) stranden, vastzetten, aan de grond lopen
Voorbeeld:
(noun) kleedje, onderlegger
Voorbeeld:
(noun) sprei, beddensprei
Voorbeeld:
(noun) Afghaan, Afghaanse;
(adjective) Afghaans
Voorbeeld:
(noun) armatuur, vast onderdeel, inrichting
Voorbeeld:
(noun) spatel
Voorbeeld:
(noun) tontel, aanmaakhout;
(trademark) Tinder, datingapp
Voorbeeld:
(noun) erfstuk, familie-erfstuk
Voorbeeld:
(noun) werktuig, gereedschap;
(verb) implementeren, uitvoeren
Voorbeeld:
(noun) blinddoek;
(verb) blinddoeken
Voorbeeld:
(noun) handtas, portemonnee, financiën
Voorbeeld:
(noun) versiering, ornamentatie
Voorbeeld:
(noun) spuit, injectiespuit;
(verb) inspuiten, uitspuiten
Voorbeeld:
(noun) trellis, hekwerk, spalier;
(verb) van een trellis voorzien, spalieren
Voorbeeld:
(noun) beeldje, figuur
Voorbeeld:
(noun) fragment, stukje, onvolledig deel;
(verb) fragmenteren, uiteenvallen
Voorbeeld:
(noun) container, bak, vat
Voorbeeld:
(noun) stopverf, kneedbaar, manipuleerbaar
Voorbeeld:
(noun) quilt, sprei;
(verb) quilten, doorstikken
Voorbeeld:
(noun) sluier, dekmantel;
(verb) sluieren, verhullen
Voorbeeld:
(noun) raster, rooster, coördinatennet;
(verb) rasteren, in een raster indelen
Voorbeeld: