Vocabulaireverzameling Zeker en onzeker in SAT-woordenschat voor wiskunde en logica: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Zeker en onzeker' in 'SAT-woordenschat voor wiskunde en logica' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) verzekering, garantie, belofte
Voorbeeld:
(adjective) definitief, duidelijk, bepaald
Voorbeeld:
(adjective) onbetwistbaar, onweerlegbaar
Voorbeeld:
(adjective) onmiskenbaar, onbetwistbaar
Voorbeeld:
(adjective) doorslaggevend, overtuigend, afdoend
Voorbeeld:
(adjective) onfeilbaar, altijd effectief
Voorbeeld:
(adjective) ondubbelzinnig, eenduidig
Voorbeeld:
(adjective) definitief, doorslaggevend, beslissend
Voorbeeld:
(adjective) duidelijk, evident, klaarblijkelijk
Voorbeeld:
(adjective) onbetwistbaar, onweerlegbaar
Voorbeeld:
(verb) verzekeren, ervoor zorgen
Voorbeeld:
(verb) vaststellen, achterhalen, uitvinden
Voorbeeld:
(adverb) ongetwijfeld, zeker
Voorbeeld:
(adverb) absoluut, volledig, zeker
Voorbeeld:
(noun) waarschijnlijkheid, kans
Voorbeeld:
(noun) onzekerheid, twijfel
Voorbeeld:
(noun) voorgevoel, vermoeden, intuïtie;
(verb) krommen, bukken, ineenduiken
Voorbeeld:
(noun) vooruitzicht, perspectief, kans;
(verb) prospecteren, zoeken naar delfstoffen
Voorbeeld:
(noun) scenario, plot, situatie
Voorbeeld:
(noun) verdenking, argwaan, wantrouwen
Voorbeeld:
(noun) gerucht, horen zeggen
Voorbeeld:
(noun) reservering, boeking, bedenking
Voorbeeld:
(noun) vermoeden, gissing, speculatie;
(verb) vermoeden, gissen, speculeren
Voorbeeld:
(adjective) voorlopig, onzeker, voorzichtig
Voorbeeld:
(adjective) dubieus, twijfelachtig, verdacht
Voorbeeld:
(adjective) sceptisch, twijfelachtig
Voorbeeld:
(adjective) vermeend, beweerd
Voorbeeld:
(adjective) twijfelachtig, betwistbaar, dubieus
Voorbeeld:
(adjective) inconclusief, niet doorslaggevend
Voorbeeld:
(adjective) aannemelijk, geloofwaardig, plausibel
Voorbeeld:
(adjective) aarzelend, onzeker
Voorbeeld:
(adjective) vermeend, verondersteld, beweerd
Voorbeeld:
(adjective) onvoorspelbaar, onberekenbaar
Voorbeeld:
(adjective) toekomstig, potentieel, vooruitziend
Voorbeeld:
(adjective) potentieel, mogelijke;
(noun) potentieel, mogelijkheden
Voorbeeld:
(verb) speculeren, veronderstellen, beleggen met risico
Voorbeeld:
(verb) hypothetiseren, een hypothese opstellen
Voorbeeld:
(verb) theoretiseren, een theorie vormen
Voorbeeld:
(verb) vermoeden, veronderstellen;
(noun) vermoeden, veronderstelling
Voorbeeld:
(adverb) naar verluidt, vermoedelijk, zogenaamd
Voorbeeld: