Vocabulaireverzameling Vastgoed - Appartementen in Onroerend goed: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Vastgoed - Appartementen' in 'Onroerend goed' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) ruimte, plaats, kamer;
(verb) huisvesten, onderbrengen
Voorbeeld:
(noun) vloer, verdieping;
(verb) vloeren, verbijsteren
Voorbeeld:
(noun) trap, trede
Voorbeeld:
(noun) bungalow
Voorbeeld:
(noun) appartement, flat
Voorbeeld:
(noun) appartementencomplex, condominium
Voorbeeld:
(noun) oriëntatie, richting, introductie
Voorbeeld:
(noun) plafond, limiet
Voorbeeld:
(noun) raam, venster, tijdvenster;
(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen
Voorbeeld:
(noun) slaapkamer
Voorbeeld:
(noun) badkamer, toilet
Voorbeeld:
(noun) eetkamer
Voorbeeld:
(noun) woonkamer, zitkamer
Voorbeeld:
(noun) keuken
Voorbeeld:
(noun) garage, werkplaats;
(verb) in de garage zetten, stallen
Voorbeeld:
(noun) tuin;
(verb) tuinieren, beplanten
Voorbeeld:
(noun) veranda, portiek, galerij
Voorbeeld:
(noun) balkon, galerij
Voorbeeld:
(noun) huisje, cottage
Voorbeeld:
(noun) rijtjeshuis
Voorbeeld:
(adverb) beneden, naar beneden;
(adjective) beneden, onder;
(noun) benedenverdieping
Voorbeeld:
(noun) meubels, meubilair
Voorbeeld:
(noun) yard, tuin, erf
Voorbeeld:
(noun) airconditioner, airco
Voorbeeld:
(noun) gang, hal
Voorbeeld:
(noun) muur, wand;
(verb) ommuuren, afsluiten met een muur
Voorbeeld:
(noun) sluiter, luik;
(verb) sluiten, stopzetten
Voorbeeld: