Avatar of Vocabulary Set Vastgoed - Appartementen

Vocabulaireverzameling Vastgoed - Appartementen in Onroerend goed: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Vastgoed - Appartementen' in 'Onroerend goed' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

room

/ruːm/

(noun) ruimte, plaats, kamer;

(verb) huisvesten, onderbrengen

Voorbeeld:

Is there enough room for everyone?
Is er genoeg ruimte voor iedereen?

floor

/flɔːr/

(noun) vloer, verdieping;

(verb) vloeren, verbijsteren

Voorbeeld:

The wooden floor creaked as he walked across it.
De houten vloer kraakte toen hij eroverheen liep.

stair

/ster/

(noun) trap, trede

Voorbeeld:

She slowly climbed the stairs to her apartment.
Ze klom langzaam de trap op naar haar appartement.

bungalow

/ˈbʌŋ.ɡəl.oʊ/

(noun) bungalow

Voorbeeld:

They decided to buy a charming bungalow by the sea.
Ze besloten een charmante bungalow aan zee te kopen.

apartment

/əˈpɑːrt.mənt/

(noun) appartement, flat

Voorbeeld:

They rented a small apartment in the city center.
Ze huurden een klein appartement in het stadscentrum.

condominium

/ˌkɑːn.dəˈmɪn.i.əm/

(noun) appartementencomplex, condominium

Voorbeeld:

They bought a new condominium overlooking the ocean.
Ze kochten een nieuw appartementencomplex met uitzicht op de oceaan.

orientation

/ˌɔːr.i.enˈteɪ.ʃən/

(noun) oriëntatie, richting, introductie

Voorbeeld:

He lost his orientation in the dense fog.
Hij verloor zijn oriëntatie in de dichte mist.

ceiling

/ˈsiː.lɪŋ/

(noun) plafond, limiet

Voorbeeld:

The room has a high ceiling.
De kamer heeft een hoog plafond.

window

/ˈwɪn.doʊ/

(noun) raam, venster, tijdvenster;

(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen

Voorbeeld:

She looked out the window at the rain.
Ze keek uit het raam naar de regen.

bedroom

/ˈbed.ruːm/

(noun) slaapkamer

Voorbeeld:

My bedroom has a large window overlooking the garden.
Mijn slaapkamer heeft een groot raam met uitzicht op de tuin.

bathroom

/ˈbæθ.ruːm/

(noun) badkamer, toilet

Voorbeeld:

I need to use the bathroom.
Ik moet naar de badkamer.

dining room

/ˈdaɪ.nɪŋ ˌruːm/

(noun) eetkamer

Voorbeeld:

We usually eat dinner in the dining room.
We eten meestal avondeten in de eetkamer.

living room

/ˈlɪv.ɪŋ ˌruːm/

(noun) woonkamer, zitkamer

Voorbeeld:

We spent the evening relaxing in the living room.
We brachten de avond ontspannend door in de woonkamer.

kitchen

/ˈkɪtʃ.ən/

(noun) keuken

Voorbeeld:

She spent the morning cleaning the kitchen.
Ze bracht de ochtend door met het schoonmaken van de keuken.

garage

/ɡəˈrɑːʒ/

(noun) garage, werkplaats;

(verb) in de garage zetten, stallen

Voorbeeld:

I parked my car in the garage.
Ik parkeerde mijn auto in de garage.

garden

/ˈɡɑːr.dən/

(noun) tuin;

(verb) tuinieren, beplanten

Voorbeeld:

She spent the afternoon working in her garden.
Ze bracht de middag door met werken in haar tuin.

porch

/pɔːrtʃ/

(noun) veranda, portiek, galerij

Voorbeeld:

We sat on the porch and watched the sunset.
We zaten op de veranda en keken naar de zonsondergang.

balcony

/ˈbæl.kə.ni/

(noun) balkon, galerij

Voorbeeld:

She stepped out onto the balcony to enjoy the view.
Ze stapte het balkon op om van het uitzicht te genieten.

cottage

/ˈkɑː.t̬ɪdʒ/

(noun) huisje, cottage

Voorbeeld:

They rented a charming cottage by the lake for their vacation.
Ze huurden een charmant huisje aan het meer voor hun vakantie.

terraced house

/ˈter.əst ˌhaʊs/

(noun) rijtjeshuis

Voorbeeld:

They bought a charming old terraced house in the city center.
Ze kochten een charmant oud rijtjeshuis in het stadscentrum.

downstairs

/ˌdaʊnˈsterz/

(adverb) beneden, naar beneden;

(adjective) beneden, onder;

(noun) benedenverdieping

Voorbeeld:

She went downstairs to answer the door.
Ze ging naar beneden om de deur te openen.

furniture

/ˈfɝː.nɪ.tʃɚ/

(noun) meubels, meubilair

Voorbeeld:

We bought new furniture for the living room.
We kochten nieuwe meubels voor de woonkamer.

yard

/jɑːrd/

(noun) yard, tuin, erf

Voorbeeld:

The fabric is three yards long.
De stof is drie yard lang.

air conditioner

/ˈer kənˌdɪʃ.ən.ər/

(noun) airconditioner, airco

Voorbeeld:

It's so hot, let's turn on the air conditioner.
Het is zo heet, laten we de airconditioner aanzetten.

hallway

/ˈhɑːl.weɪ/

(noun) gang, hal

Voorbeeld:

She walked down the hallway to her office.
Ze liep door de gang naar haar kantoor.

wall

/wɑːl/

(noun) muur, wand;

(verb) ommuuren, afsluiten met een muur

Voorbeeld:

The garden is surrounded by a high brick wall.
De tuin is omgeven door een hoge bakstenen muur.

shutter

/ˈʃʌt̬.ɚ/

(noun) sluiter, luik;

(verb) sluiten, stopzetten

Voorbeeld:

The photographer adjusted the camera's shutter speed.
De fotograaf paste de sluitersnelheid van de camera aan.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland