Avatar of Vocabulary Set Reizen en toerisme

Vocabulaireverzameling Reizen en toerisme in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Reizen en toerisme' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

passport

/ˈpæs.pɔːrt/

(noun) paspoort, toegang, middel

Voorbeeld:

Don't forget your passport when you travel internationally.
Vergeet je paspoort niet als je internationaal reist.

visa

/ˈviː.zə/

(noun) visum;

(verb) viseren, een visum verlenen;

(trademark) Visa, Visa-kaart

Voorbeeld:

I need to apply for a visa to travel to that country.
Ik moet een visum aanvragen om naar dat land te reizen.

departure

/dɪˈpɑːr.tʃɚ/

(noun) vertrek, afreis, afwijking

Voorbeeld:

Our departure was delayed due to bad weather.
Ons vertrek werd vertraagd door slecht weer.

arrival

/əˈraɪ.vəl/

(noun) aankomst, komst, aanwinst

Voorbeeld:

We waited for their arrival at the airport.
We wachtten op hun aankomst op de luchthaven.

passenger

/ˈpæs.ən.dʒɚ/

(noun) passagier, reiziger

Voorbeeld:

The bus was full of passengers.
De bus zat vol met passagiers.

tour guide

/ˈtʊr ˌɡaɪd/

(noun) gids, reisleider

Voorbeeld:

Our tour guide led us through the ancient ruins.
Onze gids leidde ons door de oude ruïnes.

tour

/tʊr/

(noun) rondreis, tournee, rondleiding;

(verb) toeren, rondreizen

Voorbeeld:

They went on a grand tour of Europe.
Ze gingen op een grote rondreis door Europa.

hotel

/hoʊˈtel/

(noun) hotel

Voorbeeld:

We booked a room at a luxurious hotel for our vacation.
We boekten een kamer in een luxueus hotel voor onze vakantie.

luggage

/ˈlʌɡ.ɪdʒ/

(noun) bagage

Voorbeeld:

Please place your luggage in the overhead compartment.
Plaats uw bagage alstublieft in het bagagevak boven uw hoofd.

suitcase

/ˈsuːt.keɪs/

(noun) koffer, reiskoffer

Voorbeeld:

She packed her clothes neatly into her suitcase.
Ze pakte haar kleren netjes in haar koffer.

landmark

/ˈlænd.mɑːrk/

(noun) oriëntatiepunt, herkenningspunt, mijlpaal;

(adjective) baanbrekend, historisch

Voorbeeld:

The Eiffel Tower is a famous landmark in Paris.
De Eiffeltoren is een beroemd oriëntatiepunt in Parijs.

souvenir

/ˌsuː.vəˈnɪr/

(noun) souvenir, aandenken

Voorbeeld:

I bought a small statue as a souvenir of my trip to Paris.
Ik kocht een klein beeldje als souvenir van mijn reis naar Parijs.

flight

/flaɪt/

(noun) vlucht, zwerm, trap

Voorbeeld:

The bird took flight from the branch.
De vogel nam de vlucht van de tak.

airport

/ˈer.pɔːrt/

(noun) luchthaven, vliegveld

Voorbeeld:

We arrived at the airport two hours before our flight.
We kwamen twee uur voor onze vlucht aan op de luchthaven.

journey

/ˈdʒɝː.ni/

(noun) reis, tocht, proces;

(verb) reizen, trekken

Voorbeeld:

The journey from London to Paris takes about two hours by train.
De reis van Londen naar Parijs duurt ongeveer twee uur met de trein.

motel

/moʊˈtel/

(noun) motel

Voorbeeld:

We stayed at a cheap motel on the outskirts of town.
We verbleven in een goedkoop motel aan de rand van de stad.

airline

/ˈer.laɪn/

(noun) luchtvaartmaatschappij

Voorbeeld:

Which airline are you flying with?
Met welke luchtvaartmaatschappij vlieg je?

guidebook

/ˈɡaɪd.bʊk/

(noun) reisgids, gids

Voorbeeld:

We bought a guidebook before our trip to Paris.
We kochten een reisgids voor onze reis naar Parijs.

reservation

/ˌrez.ɚˈveɪ.ʃən/

(noun) reservering, boeking, bedenking

Voorbeeld:

I made a dinner reservation for two at 7 PM.
Ik heb een dinerreservering gemaakt voor twee om 19.00 uur.

boarding pass

/ˈbɔːr.dɪŋ ˌpæs/

(noun) instapkaart, boardingpass

Voorbeeld:

Please have your boarding pass ready at the gate.
Houd uw instapkaart gereed bij de gate.

terminal

/ˈtɝː.mə.nəl/

(adjective) terminaal, eind-, dodelijk;

(noun) terminal, station, aansluiting

Voorbeeld:

The bus arrived at the terminal station.
De bus arriveerde bij het eindstation.

travel agency

/ˈtræv.əl ˌeɪ.dʒən.si/

(noun) reisbureau

Voorbeeld:

I booked my flight through a travel agency.
Ik heb mijn vlucht geboekt via een reisbureau.

delay

/dɪˈleɪ/

(verb) vertragen, uitstellen, aarzelen;

(noun) vertraging, uitstel

Voorbeeld:

Traffic will delay your arrival.
Verkeer zal uw aankomst vertragen.

sightsee

/ˈsaɪt.siː/

(verb) sightseeën, bezienswaardigheden bekijken

Voorbeeld:

We plan to sightsee in Paris next summer.
We zijn van plan om volgend jaar zomer in Parijs te sightseeën.

reserve

/rɪˈzɝːv/

(noun) reserve, voorraad, reservaat;

(verb) reserveren, voorbehouden, behouden;

(adjective) reserve, extra

Voorbeeld:

The country has large oil reserves.
Het land heeft grote oliereserves.

check out

/tʃek aʊt/

(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken

Voorbeeld:

Can you check out the new security system?
Kun je het nieuwe beveiligingssysteem controleren?

check in

/tʃek ɪn/

(phrasal verb) inchecken, aanmelden, contact opnemen

Voorbeeld:

We need to check in at the hotel before 3 PM.
We moeten inchecken bij het hotel voor 15.00 uur.

book

/bʊk/

(noun) boek, register;

(verb) boeken, reserveren, registreren

Voorbeeld:

I'm reading a fascinating book about ancient history.
Ik lees een fascinerend boek over oude geschiedenis.

tent

/tent/

(noun) tent;

(verb) kamperen, een tent opzetten

Voorbeeld:

We set up our tent near the river.
We zetten onze tent op bij de rivier.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland