Avatar of Vocabulary Set Grootte en schaal

Vocabulaireverzameling Grootte en schaal in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Grootte en schaal' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

large

/lɑːrdʒ/

(adjective) groot, omvangrijk, breed;

(adverb) grootschalig, op grote schaal

Voorbeeld:

They live in a large house.
Ze wonen in een groot huis.

huge

/hjuːdʒ/

(adjective) enorm, gigantisch, belangrijk

Voorbeeld:

The company made a huge profit this quarter.
Het bedrijf maakte dit kwartaal een enorme winst.

enormous

/əˈnɔːr.məs/

(adjective) enorm, reusachtig, gigantisch

Voorbeeld:

The company made an enormous profit this year.
Het bedrijf maakte dit jaar een enorme winst.

giant

/ˈdʒaɪ.ənt/

(noun) reus, gigant, grootheid;

(adjective) gigantisch, enorm, reusachtig

Voorbeeld:

The fairy tale featured a benevolent giant who helped the villagers.
Het sprookje bevatte een welwillende reus die de dorpelingen hielp.

grand

/ɡrænd/

(adjective) groots, indrukwekkend, magnifiek;

(noun) duizend, duizend pond

Voorbeeld:

The palace was a grand building with towering spires.
Het paleis was een groots gebouw met torenhoge spitsen.

massive

/ˈmæs.ɪv/

(adjective) massief, enorm, aanzienlijk

Voorbeeld:

The building has a massive oak door.
Het gebouw heeft een massieve eiken deur.

tiny

/ˈtaɪ.ni/

(adjective) klein, minuscuul

Voorbeeld:

The baby's fingers were so tiny.
De vingers van de baby waren zo klein.

little

/ˈlɪt̬.əl/

(adjective) klein, weinig, jong;

(determiner) weinig, beetje;

(adverb) een beetje, weinig

Voorbeeld:

She has a little dog.
Ze heeft een klein hondje.

microscopic

/ˌmaɪ.krəˈskɑː.pɪk/

(adjective) microscopisch, minuscuul, verwaarloosbaar

Voorbeeld:

The bacteria are microscopic organisms.
De bacteriën zijn microscopische organismen.

teeny

/ˈtiː.ni/

(adjective) piepklein, minuscuul

Voorbeeld:

I'll just have a teeny piece of cake.
Ik neem maar een piepklein stukje taart.

small-scale

/ˈsmɔːlˌskeɪl/

(adjective) kleinschalig, beperkt

Voorbeeld:

The company started with small-scale operations.
Het bedrijf begon met kleinschalige operaties.

pocket-sized

/ˈpɑː.kɪt.saɪzd/

(adjective) zakformaat, pocket-

Voorbeeld:

I bought a pocket-sized dictionary for my trip.
Ik kocht een zakformaat woordenboek voor mijn reis.

minor

/ˈmaɪ.nɚ/

(adjective) klein, gering, onbelangrijk;

(noun) minderjarige

Voorbeeld:

It's only a minor problem.
Het is maar een klein probleem.

micro

/ˈmaɪ.kroʊ/

(prefix) micro, klein, miljoenste

Voorbeeld:

A microorganism is a very small living thing.
Een micro-organisme is een heel klein levend wezen.

nanoscale

/ˈnænoʊˌskeɪl/

(noun) nanoschaal;

(adjective) nanoschaal, nanoscopisch

Voorbeeld:

At the nanoscale, materials can exhibit very different physical properties.
Op de nanoschaal kunnen materialen zeer verschillende fysieke eigenschappen vertonen.

baby

/ˈbeɪ.bi/

(noun) baby, zuigeling, schatje;

(verb) verwennen, vertroetelen;

(adjective) klein, mini

Voorbeeld:

The new parents were overjoyed with their healthy baby.
De nieuwe ouders waren dolblij met hun gezonde baby.

undersized

/ˈʌn.dɚ.saɪzd/

(adjective) ondermaats, te klein

Voorbeeld:

The team was at a disadvantage because of their undersized players.
Het team was in het nadeel vanwege hun ondermaatse spelers.

small

/smɑːl/

(adjective) klein, onbelangrijk;

(adverb) klein, fijn

Voorbeeld:

She lives in a small house.
Ze woont in een klein huis.

medium

/ˈmiː.di.əm/

(noun) medium, middel, helderziende;

(adjective) medium, gemiddeld

Voorbeeld:

Television is a powerful medium for advertising.
Televisie is een krachtig medium voor reclame.

big

/bɪɡ/

(adjective) groot, omvangrijk, belangrijk;

(adverb) grootspraak, arrogant

Voorbeeld:

He lives in a big house.
Hij woont in een groot huis.

sizable

/ˈsaɪ.zə.bəl/

(adjective) aanzienlijk, flink, fors

Voorbeeld:

The company made a sizable profit last quarter.
Het bedrijf maakte vorig kwartaal een aanzienlijke winst.

enlarge

/ɪnˈlɑːrdʒ/

(verb) vergroten, uitbreiden

Voorbeeld:

You can enlarge the image by pinching out on the screen.
Je kunt de afbeelding vergroten door uit te knijpen op het scherm.

upsize

/ˈʌp.saɪz/

(verb) vergroten, opschalen;

(noun) vergroting, uitbreiding

Voorbeeld:

The family decided to upsize their home after the second child was born.
Het gezin besloot hun huis te vergroten na de geboorte van het tweede kind.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland