Avatar of Vocabulary Set Reizen en toerisme

Vocabulaireverzameling Reizen en toerisme in IELTS Academische Woordenschat (Band 6-7): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Reizen en toerisme' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 6-7)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

charter

/ˈtʃɑːr.t̬ɚ/

(noun) handvest, akte, privilege;

(verb) charteren, oprichten, huren

Voorbeeld:

The city received its royal charter in 1205.
De stad ontving haar koninklijke handvest in 1205.

hostel

/ˈhɑː.stəl/

(noun) hostel, herberg

Voorbeeld:

We stayed at a youth hostel during our backpacking trip through Europe.
We verbleven in een jeugdherberg tijdens onze backpackreis door Europa.

suite

/swiːt/

(noun) suite, appartement, set

Voorbeeld:

The hotel offers a luxurious suite with a view of the ocean.
Het hotel biedt een luxe suite met uitzicht op de oceaan.

gate

/ɡeɪt/

(noun) hek, poort, gate;

(verb) gaten, regelen

Voorbeeld:

Please close the gate behind you.
Sluit alstublieft het hek achter u.

safari

/səˈfɑːr.i/

(noun) safari, expeditie, reis;

(verb) safariën, op safari gaan

Voorbeeld:

They went on a thrilling safari in the Serengeti.
Ze gingen op een spannende safari in de Serengeti.

excursion

/ɪkˈskɝː.ʃən/

(noun) excursie, uitstapje, tochtje

Voorbeeld:

We went on an excursion to the mountains.
We gingen op een excursie naar de bergen.

campground

/ˈkæmp.ɡraʊnd/

(noun) camping, kampeerterrein

Voorbeeld:

We spent our vacation at a beautiful campground by the lake.
We brachten onze vakantie door op een prachtige camping aan het meer.

monument

/ˈmɑːn.jə.mənt/

(noun) monument, gedenkteken, blijvend bewijs

Voorbeeld:

The Washington Monument is a famous landmark in the United States.
Het Washington Monument is een beroemd herkenningspunt in de Verenigde Staten.

expedition

/ˌek.spəˈdɪʃ.ən/

(noun) expeditie, onderzoekstocht, spoed

Voorbeeld:

The scientific expedition to Antarctica lasted six months.
De wetenschappelijke expeditie naar Antarctica duurde zes maanden.

voyage

/ˈvɔɪ.ɪdʒ/

(noun) zeereis, ruimtereis, reis;

(verb) reizen, varen, een reis maken

Voorbeeld:

The ship embarked on a long voyage across the Atlantic.
Het schip begon aan een lange zeereis over de Atlantische Oceaan.

itinerary

/aɪˈtɪn.ə.rer.i/

(noun) reisschema, reisplan

Voorbeeld:

Our travel agent prepared a detailed itinerary for our trip to Italy.
Onze reisagent stelde een gedetailleerd reisschema op voor onze reis naar Italië.

courier

/ˈkʊr.i.ɚ/

(noun) koerier, bode, reisleider;

(verb) koerieren, verzenden per koerier

Voorbeeld:

The urgent documents were sent by courier.
De spoeddocumenten werden per koerier verzonden.

rucksack

/ˈrʌk.sæk/

(noun) rugzak

Voorbeeld:

He packed his sleeping bag and tent into his rucksack.
Hij pakte zijn slaapzak en tent in zijn rugzak.

inn

/ɪn/

(noun) herberg, logement

Voorbeeld:

We stayed at a charming old inn in the countryside.
We verbleven in een charmante oude herberg op het platteland.

vacationer

/veɪˈkeɪ.ʃən.ɚ/

(noun) vakantieganger, toerist

Voorbeeld:

The beach was crowded with vacationers enjoying the sun.
Het strand was druk met vakantiegangers die van de zon genoten.

explore

/ɪkˈsplɔːr/

(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken

Voorbeeld:

They set out to explore the Amazon rainforest.
Ze gingen op pad om het Amazone regenwoud te verkennen.

navigate

/ˈnæv.ə.ɡeɪt/

(verb) navigeren, sturen, zich verplaatsen

Voorbeeld:

The captain had to navigate the ship through the narrow channel.
De kapitein moest het schip door het smalle kanaal navigeren.

depart

/dɪˈpɑːrt/

(verb) vertrekken, afreizen, afwijken

Voorbeeld:

The train will depart from Platform 3.
De trein zal vertrekken vanaf spoor 3.

cruise

/kruːz/

(noun) cruise, zeereis;

(verb) cruisen, rijden met constante snelheid, rondrijden

Voorbeeld:

They went on a Caribbean cruise for their honeymoon.
Ze gingen op een Caribische cruise voor hun huwelijksreis.

sail

/seɪl/

(noun) zeil;

(verb) zeilen, varen, zweven

Voorbeeld:

The ship hoisted its sails and departed.
Het schip hees zijn zeilen en vertrok.

camp

/kæmp/

(noun) kamp, fractie;

(verb) kamperen;

(adjective) overdreven, campy

Voorbeeld:

We set up camp near the river.
We sloegen kamp op bij de rivier.

backpack

/ˈbæk.pæk/

(noun) rugzak;

(verb) backpacken, met een rugzak reizen

Voorbeeld:

He packed his clothes into his backpack for the trip.
Hij pakte zijn kleren in zijn rugzak voor de reis.

layover

/ˈleɪˌoʊ.vɚ/

(noun) tussenstop, overstap

Voorbeeld:

We had a three-hour layover in Chicago.
We hadden een drie uur durende tussenstop in Chicago.

hitchhike

/ˈhɪtʃ.haɪk/

(verb) liften, autostoppen

Voorbeeld:

They decided to hitchhike across the country.
Ze besloten om door het land te liften.

embark

/ɪmˈbɑːrk/

(verb) inschepen, aan boord gaan, beginnen

Voorbeeld:

Passengers are requested to embark at gate 3.
Passagiers worden verzocht om bij gate 3 te inschepen.

disembark

/ˌdɪs.ɪmˈbɑːrk/

(verb) ontschepen, uitstappen

Voorbeeld:

Passengers are requested to disembark promptly upon arrival.
Passagiers worden verzocht onmiddellijk na aankomst te ontschepen.

traverse

/trəˈvɝːs/

(verb) doorkruisen, oversteken, heen en weer bewegen;

(noun) traverse, doorgang

Voorbeeld:

The explorers had to traverse the dense jungle.
De ontdekkingsreizigers moesten de dichte jungle doorkruisen.

compass

/ˈkʌm.pəs/

(noun) kompas, passer, bereik;

(verb) omcirkelen, omringen, bereiken

Voorbeeld:

He used a compass to find his way through the forest.
Hij gebruikte een kompas om zijn weg door het bos te vinden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland