Avatar of Vocabulary Set Marketing

Vocabulaireverzameling Marketing in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Marketing' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

business

/ˈbɪz.nɪs/

(noun) bedrijf, zaak, onderneming

Voorbeeld:

He started his own business last year.
Hij is vorig jaar zijn eigen bedrijf begonnen.

advertisement

/ˌæd.vɚˈtaɪz.mənt/

(noun) advertentie, reclame

Voorbeeld:

The company placed an advertisement in the local newspaper.
Het bedrijf plaatste een advertentie in de lokale krant.

budget

/ˈbʌdʒ.ɪt/

(noun) begroting, budget, beschikbaar bedrag;

(verb) begroten, budgetteren;

(adjective) budget, goedkoop

Voorbeeld:

We need to create a detailed budget for the upcoming project.
We moeten een gedetailleerde begroting opstellen voor het aankomende project.

client

/ˈklaɪ.ənt/

(noun) cliënt, klant, client

Voorbeeld:

The lawyer met with his client to discuss the case.
De advocaat ontmoette zijn cliënt om de zaak te bespreken.

commerce

/ˈkɑː.mɝːs/

(noun) handel, commercie

Voorbeeld:

International commerce has increased significantly.
De internationale handel is aanzienlijk toegenomen.

consumer

/kənˈsuː.mɚ/

(noun) consument, consument (biologie)

Voorbeeld:

The new policy aims to protect consumers from unfair practices.
Het nieuwe beleid is gericht op het beschermen van consumenten tegen oneerlijke praktijken.

distribution

/ˌdɪs.trɪˈbjuː.ʃən/

(noun) distributie, verdeling, spreiding

Voorbeeld:

The distribution of food to the needy was organized by volunteers.
De distributie van voedsel aan de behoeftigen werd georganiseerd door vrijwilligers.

enterprise

/ˈen.t̬ɚ.praɪz/

(noun) onderneming, project, bedrijf

Voorbeeld:

Starting a new business is a challenging enterprise.
Een nieuw bedrijf starten is een uitdagende onderneming.

industry

/ˈɪn.də.stri/

(noun) industrie, nijverheid, vlijt

Voorbeeld:

The automotive industry is a major employer in the region.
De auto-industrie is een belangrijke werkgever in de regio.

market

/ˈmɑːr.kɪt/

(noun) markt;

(verb) op de markt brengen, vermarkten

Voorbeeld:

I bought fresh vegetables at the local market.
Ik kocht verse groenten op de lokale markt.

sales

/seɪlz/

(plural noun) verkoop, afzet, uitverkoop

Voorbeeld:

Our company's sales increased by 20% last quarter.
De verkoop van ons bedrijf steeg met 20% vorig kwartaal.

trade

/treɪd/

(noun) handel, ruilhandel, vak;

(verb) handelen, ruilen, uitwisselen

Voorbeeld:

International trade has increased significantly.
Internationale handel is aanzienlijk toegenomen.

contract

/ˈkɑːn.trækt/

(noun) contract, overeenkomst;

(verb) samentrekken, krimpen, oplopen

Voorbeeld:

They signed a contract for the new house.
Ze tekenden een contract voor het nieuwe huis.

product

/ˈprɑː.dʌkt/

(noun) product, artikel, uitkomst

Voorbeeld:

The company launched a new software product.
Het bedrijf lanceerde een nieuw softwareproduct.

strategy

/ˈstræt̬.ə.dʒi/

(noun) strategie, plan, militaire strategie

Voorbeeld:

The company developed a new marketing strategy.
Het bedrijf ontwikkelde een nieuwe marketingstrategie.

bill

/bɪl/

(noun) rekening, factuur, wetsvoorstel;

(verb) factureren, rekening sturen, aankondigen

Voorbeeld:

Can I have the bill, please?
Mag ik de rekening, alstublieft?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland