Avatar of Vocabulary Set Eenheid 9: Engels in de wereld

Vocabulaireverzameling Eenheid 9: Engels in de wereld in Graad 9: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 9: Engels in de wereld' in 'Graad 9' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

accent

/ˈæk.sənt/

(noun) accent, klemtoon, accentteken;

(verb) accentueren, benadrukken

Voorbeeld:

She spoke with a strong French accent.
Ze sprak met een sterk Frans accent.

bilingual

/baɪˈlɪŋ.ɡwəl/

(adjective) tweetalig;

(noun) tweetalige

Voorbeeld:

She is bilingual in English and Spanish.
Ze is tweetalig in het Engels en Spaans.

derivative

/dɪˈrɪv.ə.t̬ɪv/

(noun) afgeleide, derivaat, derivaten;

(adjective) afgeleid, derivatief

Voorbeeld:

His new song is a derivative of an old folk tune.
Zijn nieuwe lied is een afgeleide van een oude volksmelodie.

dialect

/ˈdaɪ.ə.lekt/

(noun) dialect, streektaal

Voorbeeld:

The local dialect is quite different from the standard language.
Het lokale dialect is heel anders dan de standaardtaal.

dominance

/ˈdɑː.mə.nəns/

(noun) dominantie, overheersing

Voorbeeld:

The company achieved market dominance with its innovative products.
Het bedrijf behaalde marktdominantie met zijn innovatieve producten.

encyclopedia

/ɪnˌsaɪ.kləˈpiː.di.ə/

(noun) encyclopedie

Voorbeeld:

I looked up the definition of 'atom' in the encyclopedia.
Ik zocht de definitie van 'atoom' op in de encyclopedie.

establishment

/ɪˈstæb.lɪʃ.mənt/

(noun) oprichting, vestiging, etablissement

Voorbeeld:

The establishment of a new school will benefit the community.
De oprichting van een nieuwe school zal de gemeenschap ten goede komen.

factor

/ˈfæk.tɚ/

(noun) factor, oorzaak, deler;

(verb) meenemen, incalculeren, ontbinden

Voorbeeld:

Cost was a major factor in our decision.
Kosten waren een belangrijke factor in onze beslissing.

flexibility

/ˌflek.səˈbɪl.ə.t̬i/

(noun) flexibiliteit, buigzaamheid, aanpassingsvermogen

Voorbeeld:

The flexibility of the material allows it to be used in various shapes.
De flexibiliteit van het materiaal maakt het mogelijk om het in verschillende vormen te gebruiken.

fluent

/ˈfluː.ənt/

(adjective) vloeiend, welbespraakt, vloeibaar

Voorbeeld:

She is fluent in three languages.
Ze is vloeiend in drie talen.

global

/ˈɡloʊ.bəl/

(adjective) wereldwijd, globaal, universeel

Voorbeeld:

Climate change is a global issue that affects everyone.
Klimaatverandering is een wereldwijd probleem dat iedereen treft.

imitate

/ˈɪm.ə.teɪt/

(verb) imiteren, nabootsen, simuleren

Voorbeeld:

Many young artists imitate their favorite painters.
Veel jonge kunstenaars imiteren hun favoriete schilders.

massive

/ˈmæs.ɪv/

(adjective) massief, enorm, aanzienlijk

Voorbeeld:

The building has a massive oak door.
Het gebouw heeft een massieve eiken deur.

mother tongue

/ˈmʌð.ər ˌtʌŋ/

(noun) moedertaal

Voorbeeld:

English is my mother tongue, but I also speak French fluently.
Engels is mijn moedertaal, maar ik spreek ook vloeiend Frans.

multinational

/ˌmʌl.t̬iˈnæʃ.ən.əl/

(adjective) multinationaal, internationaal;

(noun) multinational, internationaal bedrijf

Voorbeeld:

The company has a multinational workforce.
Het bedrijf heeft een multinationale beroepsbevolking.

official

/əˈfɪʃ.əl/

(adjective) officieel, ambtelijk, erkend;

(noun) functionaris, ambtenaar

Voorbeeld:

The mayor made an official announcement.
De burgemeester deed een officiële aankondiging.

openness

/ˈoʊ.pən.nəs/

(noun) openheid, eerlijkheid, toegankelijkheid

Voorbeeld:

Her openness made it easy to trust her.
Haar openheid maakte het gemakkelijk om haar te vertrouwen.

operate

/ˈɑː.pə.reɪt/

(verb) bedienen, exploiteren, werken

Voorbeeld:

Can you show me how to operate this new coffee machine?
Kunt u mij laten zien hoe ik deze nieuwe koffiemachine moet bedienen?

origin

/ˈɔːr.ə.dʒɪn/

(noun) oorsprong, begin, bron

Voorbeeld:

The river's origin is in the mountains.
De oorsprong van de rivier ligt in de bergen.

punctual

/ˈpʌŋk.tʃu.əl/

(adjective) punctueel, stipt

Voorbeeld:

She is always very punctual for appointments.
Ze is altijd erg punctueel voor afspraken.

simplicity

/sɪmˈplɪs.ə.t̬i/

(noun) eenvoud, simpliciteit, natuurlijkheid

Voorbeeld:

The simplicity of the instructions made it easy to assemble the furniture.
De eenvoud van de instructies maakte het gemakkelijk om het meubilair in elkaar te zetten.

rusty

/ˈrʌs.ti/

(adjective) roestig, verroest

Voorbeeld:

The old car was completely rusty.
De oude auto was helemaal roestig.

variety

/vəˈraɪ.ə.t̬i/

(noun) verscheidenheid, variatie, variëteit

Voorbeeld:

The store offers a wide variety of products.
De winkel biedt een grote verscheidenheid aan producten.

pick up

/pɪk ʌp/

(phrasal verb) oprapen, ophalen, oppikken

Voorbeeld:

Can you pick up the fallen leaves in the yard?
Kun je de gevallen bladeren in de tuin oprapen?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland