Avatar of Vocabulary Set Eenheid 19: Welke plaats zou je willen bezoeken?

Vocabulaireverzameling Eenheid 19: Welke plaats zou je willen bezoeken? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 19: Welke plaats zou je willen bezoeken?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

visit

/ˈvɪz.ɪt/

(verb) bezoeken;

(noun) bezoek, huisbezoek

Voorbeeld:

I'm going to visit my grandparents next weekend.
Ik ga volgend weekend mijn grootouders bezoeken.

pagoda

/pəˈɡoʊ.də/

(noun) pagode

Voorbeeld:

The ancient pagoda stood tall against the sunset.
De oude pagode stond hoog tegen de zonsondergang.

park

/pɑːrk/

(noun) park, reservaat;

(verb) parkeren

Voorbeeld:

Let's go for a walk in the park.
Laten we een wandeling maken in het park.

temple

/ˈtem.pəl/

(noun) tempel, slaap

Voorbeeld:

The ancient temple was dedicated to the sun god.
De oude tempel was gewijd aan de zonnegod.

theatre

/ˈθiː.ə.t̬ɚ/

(noun) theater, theaterkunst, toneel

Voorbeeld:

We went to the theatre to see a play.
We gingen naar het theater om een toneelstuk te zien.

bridge

/brɪdʒ/

(noun) brug, neusbrug, verbinding;

(verb) overbruggen, verkleinen

Voorbeeld:

The old stone bridge crosses the river.
De oude stenen brug overspant de rivier.

city

/ˈsɪt̬.i/

(noun) stad

Voorbeeld:

New York City is known for its skyscrapers.
New York City staat bekend om zijn wolkenkrabbers.

village

/ˈvɪl.ɪdʒ/

(noun) dorp

Voorbeeld:

She grew up in a small, quiet village.
Ze groeide op in een klein, rustig dorp.

town

/taʊn/

(noun) stad, plaats, inwoners van de stad

Voorbeeld:

She grew up in a small town in the countryside.
Ze groeide op in een klein stadje op het platteland.

museum

/mjuːˈziː.əm/

(noun) museum

Voorbeeld:

We spent the afternoon at the art museum.
We brachten de middag door in het kunstmuseum.

centre

/ˈsen.t̬ɚ/

(noun) midden, centrum, complex;

(verb) centreren, in het midden plaatsen

Voorbeeld:

The table is in the centre of the room.
De tafel staat in het midden van de kamer.

somewhere

/ˈsʌm.wer/

(adverb) ergens, ongeveer, rond

Voorbeeld:

I left my keys somewhere in the house.
Ik heb mijn sleutels ergens in huis laten liggen.

zoo

/zuː/

(noun) dierentuin, zoo

Voorbeeld:

We spent the whole day at the zoo, watching the lions and elephants.
We brachten de hele dag door in de dierentuin, kijkend naar de leeuwen en olifanten.

lake

/leɪk/

(noun) meer

Voorbeeld:

We went fishing in the lake.
We gingen vissen in het meer.

enjoy

/ɪnˈdʒɔɪ/

(verb) genieten van, beschikken over

Voorbeeld:

I really enjoy spending time with my family.
Ik geniet echt van tijd doorbrengen met mijn familie.

expect

/ɪkˈspekt/

(verb) verwachten, eisen

Voorbeeld:

I expect him to arrive any minute now.
Ik verwacht dat hij elk moment zal arriveren.

exciting

/ɪkˈsaɪ.t̬ɪŋ/

(adjective) spannend, opwindend

Voorbeeld:

It was an exciting game that kept everyone on the edge of their seats.
Het was een spannende wedstrijd die iedereen op het puntje van zijn stoel hield.

interesting

/ˈɪn.trɪ.stɪŋ/

(adjective) interessant, boeiend

Voorbeeld:

That was a very interesting book.
Dat was een heel interessant boek.

attractive

/əˈtræk.tɪv/

(adjective) aantrekkelijk, charmant

Voorbeeld:

She wore a very attractive dress to the party.
Ze droeg een zeer aantrekkelijke jurk naar het feest.

in the middle of

/ɪn ðə ˈmɪd.l ʌv/

(phrase) in het midden van, midden in, tijdens

Voorbeeld:

The house is in the middle of a large field.
Het huis staat midden in een groot veld.

weekend

/ˈwiːk.end/

(noun) weekend

Voorbeeld:

I'm looking forward to the weekend.
Ik kijk uit naar het weekend.

delicious

/dɪˈlɪʃ.əs/

(adjective) heerlijk, lekker, aangenaam

Voorbeeld:

The cake was absolutely delicious.
De cake was absoluut heerlijk.

people

/ˈpiː.pəl/

(noun) mensen, volk, natie;

(verb) bevolken, vullen

Voorbeeld:

Many people attended the concert.
Veel mensen woonden het concert bij.

history

/ˈhɪs.t̬ɚ.i/

(noun) geschiedenis, verleden

Voorbeeld:

She is studying ancient Roman history at university.
Ze studeert oude Romeinse geschiedenis aan de universiteit.

statue

/ˈstætʃ.uː/

(noun) standbeeld, beeld

Voorbeeld:

The city square is dominated by a large bronze statue.
Het stadsplein wordt gedomineerd door een groot bronzen standbeeld.

yard

/jɑːrd/

(noun) yard, tuin, erf

Voorbeeld:

The fabric is three yards long.
De stof is drie yard lang.

holiday

/ˈhɑː.lə.deɪ/

(noun) vakantie, feestdag;

(verb) vakantie vieren, op vakantie gaan

Voorbeeld:

We're going on holiday to Spain next month.
We gaan volgende maand op vakantie naar Spanje.

place

/pleɪs/

(noun) plaats, plek, huis;

(verb) plaatsen, leggen, herkennen

Voorbeeld:

This is a good place to sit.
Dit is een goede plek om te zitten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland