Avatar of Vocabulary Set Eenheid 11: Wat scheelt eraan?

Vocabulaireverzameling Eenheid 11: Wat scheelt eraan? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 11: Wat scheelt eraan?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

breakfast

/ˈbrek.fəst/

(noun) ontbijt;

(verb) ontbijten

Voorbeeld:

I usually have toast and coffee for breakfast.
Ik eet meestal toast en koffie als ontbijt.

ready

/ˈred.i/

(adjective) klaar, gereed, bereid;

(verb) klaarmaken, gereedmaken

Voorbeeld:

Are you ready to go?
Ben je klaar om te gaan?

matter

/ˈmæt̬.ɚ/

(noun) materie, stof, zaak;

(verb) er toe doen, belangrijk zijn

Voorbeeld:

All living things are composed of matter.
Alle levende wezens zijn samengesteld uit materie.

fever

/ˈfiː.vɚ/

(noun) koorts, opwinding

Voorbeeld:

The child had a high fever and was restless.
Het kind had hoge koorts en was onrustig.

temperature

/ˈtem.pɚ.ə.tʃɚ/

(noun) temperatuur, koorts

Voorbeeld:

The room temperature is 25 degrees Celsius.
De kamertemperatuur is 25 graden Celsius.

headache

/ˈhed.eɪk/

(noun) hoofdpijn, probleem, lastpost

Voorbeeld:

I woke up with a terrible headache this morning.
Ik werd vanmorgen wakker met een vreselijke hoofdpijn.

toothache

/ˈtuːθ.eɪk/

(noun) tandpijn

Voorbeeld:

I have a terrible toothache and need to see a dentist.
Ik heb vreselijke tandpijn en moet naar de tandarts.

earache

/ˈɪr.eɪk/

(noun) oorpijn

Voorbeeld:

She complained of a severe earache.
Ze klaagde over een hevige oorpijn.

stomach

/ˈstʌm.ək/

(noun) maag, buik, abdomen;

(verb) verdragen, tolereren

Voorbeeld:

My stomach hurts after eating too much.
Mijn maag doet pijn na te veel eten.

backache

/ˈbæk.eɪk/

(noun) rugpijn

Voorbeeld:

She often suffers from a severe backache after long hours of sitting.
Ze heeft vaak last van ernstige rugpijn na lange uren zitten.

sore throat

/ˌsɔːr ˈθroʊt/

(noun) zere keel, keelpijn

Voorbeeld:

I woke up with a sore throat this morning.
Ik werd vanochtend wakker met een zere keel.

hot

/hɑːt/

(adjective) heet, warm, pittig;

(adverb) heet, warm

Voorbeeld:

Be careful, the plate is very hot.
Wees voorzichtig, het bord is erg heet.

cold

/koʊld/

(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

It's cold outside, so wear a jacket.
Het is koud buiten, dus draag een jas.

pain

/peɪn/

(noun) pijn, leed, verdriet;

(verb) pijn doen, kwellen

Voorbeeld:

She felt a sharp pain in her leg.
Ze voelde een scherpe pijn in haar been.

feel

/fiːl/

(verb) voelen, aanraken, vinden;

(noun) gevoel, aanraking, intuïtie

Voorbeeld:

I feel happy today.
Ik voel me vandaag gelukkig.

doctor

/ˈdɑːk.tɚ/

(noun) dokter, arts, doctor;

(verb) vervalsen, manipuleren, repareren

Voorbeeld:

The doctor examined the patient carefully.
De dokter onderzocht de patiënt zorgvuldig.

dentist

/ˈden.t̬ɪst/

(noun) tandarts

Voorbeeld:

I have an appointment with the dentist tomorrow.
Ik heb morgen een afspraak met de tandarts.

rest

/rest/

(noun) rust, pauze, rest;

(verb) rusten, uitrusten, liggen

Voorbeeld:

I need to take a rest after a long day.
Ik moet rusten na een lange dag.

heavy

/ˈhev.i/

(adjective) zwaar, intens, diep;

(adverb) hevig, zwaar

Voorbeeld:

The box was too heavy for him to lift alone.
De doos was te zwaar voor hem om alleen op te tillen.

healthy

/ˈhel.θi/

(adjective) gezond, heilzaam, flink

Voorbeeld:

Eating fruits and vegetables helps you stay healthy.
Het eten van fruit en groenten helpt je gezond te blijven.

regularly

/ˈreɡ.jə.lər.li/

(adverb) regelmatig, vaak, gelijkmatig

Voorbeeld:

She exercises regularly to stay healthy.
Ze sport regelmatig om gezond te blijven.

problem

/ˈprɑː.bləm/

(noun) probleem, kwestie, moeilijkheid

Voorbeeld:

We have a serious problem to solve.
We hebben een serieus probleem op te lossen.

advice

/ədˈvaɪs/

(noun) advies, raad

Voorbeeld:

Can I offer you some advice?
Mag ik u wat advies geven?

cough

/kɑːf/

(verb) hoesten;

(noun) hoest

Voorbeeld:

He started to cough uncontrollably during the meeting.
Hij begon oncontroleerbaar te hoesten tijdens de vergadering.

sick

/sɪk/

(adjective) ziek, misselijk, geweldig;

(verb) overgeven, braken

Voorbeeld:

I feel sick, I think I ate something bad.
Ik voel me misselijk, ik denk dat ik iets verkeerds heb gegeten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland