Vocabulaireverzameling Eenheid 11: Wat scheelt eraan? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 11: Wat scheelt eraan?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) ontbijt;
(verb) ontbijten
Voorbeeld:
(adjective) klaar, gereed, bereid;
(verb) klaarmaken, gereedmaken
Voorbeeld:
(noun) materie, stof, zaak;
(verb) er toe doen, belangrijk zijn
Voorbeeld:
(noun) koorts, opwinding
Voorbeeld:
(noun) temperatuur, koorts
Voorbeeld:
(noun) hoofdpijn, probleem, lastpost
Voorbeeld:
(noun) tandpijn
Voorbeeld:
(noun) oorpijn
Voorbeeld:
(noun) maag, buik, abdomen;
(verb) verdragen, tolereren
Voorbeeld:
(noun) rugpijn
Voorbeeld:
(noun) zere keel, keelpijn
Voorbeeld:
(adjective) heet, warm, pittig;
(adverb) heet, warm
Voorbeeld:
(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;
(noun) verkoudheid
Voorbeeld:
(noun) pijn, leed, verdriet;
(verb) pijn doen, kwellen
Voorbeeld:
(verb) voelen, aanraken, vinden;
(noun) gevoel, aanraking, intuïtie
Voorbeeld:
(noun) dokter, arts, doctor;
(verb) vervalsen, manipuleren, repareren
Voorbeeld:
(noun) tandarts
Voorbeeld:
(noun) rust, pauze, rest;
(verb) rusten, uitrusten, liggen
Voorbeeld:
(adjective) zwaar, intens, diep;
(adverb) hevig, zwaar
Voorbeeld:
(adjective) gezond, heilzaam, flink
Voorbeeld:
(adverb) regelmatig, vaak, gelijkmatig
Voorbeeld:
(noun) probleem, kwestie, moeilijkheid
Voorbeeld:
(noun) advies, raad
Voorbeeld:
(verb) hoesten;
(noun) hoest
Voorbeeld:
(adjective) ziek, misselijk, geweldig;
(verb) overgeven, braken
Voorbeeld: