Vocabulaireverzameling Eenheid 15: Wanneer is Kinderdag? in Groep 4: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 15: Wanneer is Kinderdag?' in 'Groep 4' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) viering, feest, plechtigheid
Voorbeeld:
(noun) Kerstmis, Kerst
Voorbeeld:
(plural noun) kleding, kleren
Voorbeeld:
(verb) decoreren, versieren, schilderen
Voorbeeld:
(noun) festival, feest
Voorbeeld:
(noun) grootouder, grootouders
Voorbeeld:
(noun) vakantie, feestdag;
(verb) vakantie vieren, op vakantie gaan
Voorbeeld:
(noun) huis, gebouw;
(verb) huisvesten, onderbrengen
Voorbeeld:
(verb) verbinden, samenvoegen, zich aansluiten bij;
(noun) verbinding, voeg
Voorbeeld:
(verb) maken, bereiden, doen;
(noun) makelij, merk
Voorbeeld:
(adjective) leuk, mooi, fijn
Voorbeeld:
(adjective) relatief, vergelijkend, gerelateerd;
(noun) familielid, verwant
Voorbeeld:
(adjective) slim, intelligent, netjes;
(verb) pijn doen, prikken
Voorbeeld:
(verb) bezoeken;
(noun) bezoek, huisbezoek
Voorbeeld: