Avatar of Vocabulary Set Kerstmis

Vocabulaireverzameling Kerstmis in Veelvoorkomende woordenschat: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Kerstmis' in 'Veelvoorkomende woordenschat' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

winter

/ˈwɪn.t̬ɚ/

(noun) winter;

(verb) overwinteren

Voorbeeld:

I love to ski in the winter.
Ik hou van skiën in de winter.

candle

/ˈkæn.dəl/

(noun) kaars

Voorbeeld:

She lit a candle to create a cozy atmosphere.
Ze stak een kaars aan om een gezellige sfeer te creëren.

snow

/snoʊ/

(noun) sneeuw;

(verb) sneeuwen

Voorbeeld:

The children were excited to see the first snow of the winter.
De kinderen waren opgewonden om de eerste sneeuw van de winter te zien.

sack

/sæk/

(noun) zak, ontslag, de zak;

(verb) ontslaan, de zak geven, tackelen

Voorbeeld:

He carried a heavy sack of potatoes.
Hij droeg een zware zak aardappelen.

card

/kɑːrd/

(noun) kaart, speelkaart;

(verb) om identiteitskaart vragen

Voorbeeld:

Do you have your membership card with you?
Heb je je lidmaatschapskaart bij je?

fireplace

/ˈfaɪr.pleɪs/

(noun) open haard, schoorsteenmantel

Voorbeeld:

We gathered around the fireplace to keep warm.
We verzamelden ons rond de open haard om warm te blijven.

chimney

/ˈtʃɪm.ni/

(noun) schoorsteen

Voorbeeld:

Smoke billowed from the chimney.
Rook walmde uit de schoorsteen.

gift

/ɡɪft/

(noun) cadeau, geschenk, gave;

(verb) schenken, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful gift for her birthday.
Ze kreeg een prachtig cadeau voor haar verjaardag.

Christmas

/ˈkrɪs.məs/

(noun) Kerstmis, Kerst

Voorbeeld:

We always put up a Christmas tree for Christmas.
We zetten altijd een kerstboom op voor Kerstmis.

ornament

/ˈɔːr.nə.mənt/

(noun) ornament, versiering, sieraad;

(verb) versieren, decoreren, opsmukken

Voorbeeld:

The Christmas tree was covered with beautiful ornaments.
De kerstboom was bedekt met prachtige ornamenten.

sled

/sled/

(noun) slee;

(verb) sleeën, met de slee vervoeren

Voorbeeld:

The children rode their sleds down the snowy hill.
De kinderen reden met hun sleeën de besneeuwde heuvel af.

bell

/bel/

(noun) bel, klok, beker;

(verb) bellen, van een bel voorzien

Voorbeeld:

The church bell rang loudly.
De kerkklok luidde luid.

snowflake

/ˈsnoʊ.fleɪk/

(noun) sneeuwvlok, sneeuwvlokje, overgevoelig persoon

Voorbeeld:

Each snowflake has a unique and intricate design.
Elke sneeuwvlok heeft een uniek en ingewikkeld ontwerp.

wreath

/riːθ/

(noun) krans

Voorbeeld:

She hung a festive Christmas wreath on the front door.
Ze hing een feestelijke kerstkrans aan de voordeur.

scarf

/skɑːrf/

(noun) sjaal;

(verb) schrokken, opschrokken

Voorbeeld:

She wrapped a warm scarf around her neck.
Ze wikkelde een warme sjaal om haar nek.

Christmas tree

/ˈkrɪs.məs ˌtriː/

(noun) kerstboom

Voorbeeld:

We decorated the Christmas tree with colorful lights and baubles.
We versierden de kerstboom met kleurrijke lichtjes en kerstballen.

Christmas card

/ˈkrɪs.məs ˌkɑːrd/

(noun) kerstkaart

Voorbeeld:

She sent out fifty Christmas cards this year.
Ze verstuurde dit jaar vijftig kerstkaarten.

pine tree

/ˈpaɪn triː/

(noun) dennenboom, pijnboom

Voorbeeld:

We planted a young pine tree in our backyard.
We plantten een jonge dennenboom in onze achtertuin.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland