Avatar of Vocabulary Set Top 301 - 325 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 301 - 325 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 301 - 325 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

mom

/mɑːm/

(noun) moeder, mama

Voorbeeld:

My mom always bakes cookies on Sundays.
Mijn moeder bakt altijd koekjes op zondag.

dad

/dæd/

(noun) vader, papa

Voorbeeld:

My dad taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.

fish

/fɪʃ/

(noun) vis;

(verb) vissen, vissen naar, uitvragen

Voorbeeld:

We caught a big fish in the lake.
We vingen een grote vis in het meer.

bird

/bɝːd/

(noun) vogel, meid, vrouw;

(verb) de middelvinger opsteken

Voorbeeld:

The little bird sang sweetly on the branch.
Het kleine vogeltje zong lieflijk op de tak.

letter

/ˈlet̬.ɚ/

(noun) letter, brief;

(verb) letteren, beschrijven

Voorbeeld:

The word 'cat' has three letters.
Het woord 'kat' heeft drie letters.

website

/ˈweb.saɪt/

(noun) website

Voorbeeld:

I found the information on their official website.
Ik vond de informatie op hun officiële website.

response

/rɪˈspɑːns/

(noun) antwoord, reactie, respons

Voorbeeld:

I sent an email, but I haven't received a response yet.
Ik heb een e-mail gestuurd, maar ik heb nog geen antwoord ontvangen.

brand

/brænd/

(noun) merk, brandmerk, teken;

(verb) brandmerken, merken

Voorbeeld:

What brand of coffee do you prefer?
Welk merk koffie heeft u liever?

environment

/ɪnˈvaɪ.rə.mənt/

(noun) omgeving, milieu, natuur

Voorbeeld:

The polar bear's natural environment is the Arctic.
De natuurlijke omgeving van de ijsbeer is het Noordpoolgebied.

key

/kiː/

(noun) sleutel, cruciaal;

(adjective) cruciaal, essentieel

Voorbeeld:

I can't find my car keys.
Ik kan mijn autosleutels niet vinden.

past

/pæst/

(adjective) voorbij, verleden;

(noun) verleden;

(preposition) voorbij, langs;

(adverb) voorbij

Voorbeeld:

In past years, we used to visit this beach every summer.
In voorbije jaren bezochten we dit strand elke zomer.

future

/ˈfjuː.tʃɚ/

(noun) toekomst, vooruitzichten;

(adjective) toekomstig

Voorbeeld:

We need to plan for the future.
We moeten plannen voor de toekomst.

present

/ˈprez.ənt/

(noun) cadeau, geschenk, heden;

(adjective) aanwezig, huidig;

(verb) presenteren, aanbieden, geven

Voorbeeld:

She received a beautiful present for her birthday.
Ze kreeg een mooi cadeau voor haar verjaardag.

matter

/ˈmæt̬.ɚ/

(noun) materie, stof, zaak;

(verb) er toe doen, belangrijk zijn

Voorbeeld:

All living things are composed of matter.
Alle levende wezens zijn samengesteld uit materie.

surface

/ˈsɝː-/

(noun) oppervlak, buitenkant, uiterlijk;

(verb) boven water komen, opduiken, asfalteren

Voorbeeld:

The surface of the table was smooth.
Het oppervlak van de tafel was glad.

drug

/drʌɡ/

(noun) medicijn, geneesmiddel, drugs;

(verb) drogeren, verdoven

Voorbeeld:

The doctor prescribed a new drug for her condition.
De dokter schreef een nieuw medicijn voor haar aandoening voor.

the Internet

/ˈɪn.tər.net/

(noun) het internet, het web

Voorbeeld:

I found the information I needed on the Internet.
Ik vond de informatie die ik nodig had op het internet.

section

/ˈsek.ʃən/

(noun) sectie, gedeelte, afdeling;

(verb) verdelen, indelen

Voorbeeld:

The book has a large section on local history.
Het boek heeft een grote sectie over lokale geschiedenis.

turn

/tɝːn/

(verb) draaien, wenden, afbuigen;

(noun) bocht, beurt

Voorbeeld:

The Earth turns on its axis.
De aarde draait om haar as.

shape

/ʃeɪp/

(noun) vorm, gestalte, structuur;

(verb) vormen, modelleren

Voorbeeld:

The artist molded the clay into a beautiful shape.
De kunstenaar vormde de klei tot een prachtige vorm.

lesson

/ˈles.ən/

(noun) les, onderwijs, leerstuk

Voorbeeld:

The students had a math lesson this morning.
De studenten hadden vanochtend een wiskundeles.

policy

/ˈpɑː.lə.si/

(noun) beleid, richtlijn, polis

Voorbeeld:

The company has a strict policy against harassment.
Het bedrijf heeft een strikt beleid tegen intimidatie.

street

/striːt/

(noun) straat, weg, straatbewoners

Voorbeeld:

The children were playing in the street.
De kinderen speelden op straat.

memory

/ˈmem.ər.i/

(noun) geheugen, herinneringsvermogen, herinnering

Voorbeeld:

She has an excellent memory for faces.
Ze heeft een uitstekend geheugen voor gezichten.

help

/help/

(verb) helpen, bijstaan, verbeteren;

(noun) hulp, bijstand;

(exclamation) help, hulp

Voorbeeld:

Can you help me with my homework?
Kun je me helpen met mijn huiswerk?
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland