Avatar of Vocabulary Set Top 126 - 150 Nouns

Vocabulaireverzameling Top 126 - 150 Nouns in 500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 126 - 150 Nouns' in '500 meest voorkomende Engelse zelfstandige naamwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

step

/step/

(noun) stap, trede, opstapje;

(verb) stappen, lopen

Voorbeeld:

He took a step forward.
Hij deed een stap naar voren.

adult

/ˈæd.ʌlt/

(noun) volwassene;

(adjective) volwassen, rijp

Voorbeeld:

Children must be accompanied by an adult.
Kinderen moeten worden begeleid door een volwassene.

form

/fɔːrm/

(noun) vorm, soort, formulier;

(verb) vormen, creëren, ontstaan

Voorbeeld:

Water can exist in solid, liquid, or gaseous form.
Water kan bestaan in vaste, vloeibare of gasvormige vorm.

death

/deθ/

(noun) dood, overlijden, einde

Voorbeeld:

The cause of death was a heart attack.
De oorzaak van overlijden was een hartaanval.

cell

/sel/

(noun) cel, batterij, mobiel

Voorbeeld:

The prisoner was confined to a solitary cell.
De gevangene werd opgesloten in een eenzame cel.

love

/lʌv/

(noun) liefde, geliefde;

(verb) houden van, liefhebben, genieten van

Voorbeeld:

Their love for each other was evident to everyone.
Hun liefde voor elkaar was voor iedereen duidelijk.

dollar

/ˈdɑː.lɚ/

(noun) dollar

Voorbeeld:

This book costs ten dollars.
Dit boek kost tien dollar.

camera

/ˈkæm.rə/

(noun) camera, fototoestel

Voorbeeld:

She bought a new digital camera for her trip.
Ze kocht een nieuwe digitale camera voor haar reis.

voice

/vɔɪs/

(noun) stem, inspraak;

(verb) uiten, uitspreken

Voorbeeld:

Her voice was clear and strong.
Haar stem was helder en krachtig.

door

/dɔːr/

(noun) deur, huis, gebouw

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Sluit alstublieft de deur als u weggaat.

tomorrow

/təˈmɔːr.oʊ/

(adverb) morgen;

(noun) morgen

Voorbeeld:

I will see you tomorrow.
Ik zie je morgen.

value

/ˈvæl.juː/

(noun) waarde, belang, prijs;

(verb) waarderen, schatten, op prijs stellen

Voorbeeld:

The true value of friendship cannot be measured.
De ware waarde van vriendschap kan niet worden gemeten.

member

/ˈmem.bɚ/

(noun) lid, lichaamsdeel

Voorbeeld:

She is a new member of our team.
Zij is een nieuw lid van ons team.

relationship

/rɪˈleɪ.ʃən.ʃɪp/

(noun) relatie, verband, omgang

Voorbeeld:

The relationship between diet and health is well-known.
De relatie tussen dieet en gezondheid is welbekend.

laughter

/ˈlæf.tɚ/

(noun) gelach, lach

Voorbeeld:

Her eyes sparkled with laughter.
Haar ogen schitterden van het lachen.

girl

/ɡɝːl/

(noun) meisje, meid, dochter

Voorbeeld:

The little girl was playing with her doll.
Het kleine meisje speelde met haar pop.

boy

/bɔɪ/

(noun) jongen, kerel;

(exclamation) jongen, man

Voorbeeld:

The little boy was playing with his toy car.
De kleine jongen speelde met zijn speelgoedauto.

data

/ˈdeɪ.t̬ə/

(noun) gegevens, data

Voorbeeld:

The company collects customer data to improve its services.
Het bedrijf verzamelt klantengegevens om zijn diensten te verbeteren.

war

/wɔːr/

(noun) oorlog, gewapend conflict, campagne;

(verb) oorlog voeren, strijden

Voorbeeld:

The country has been ravaged by civil war for years.
Het land is al jaren geteisterd door burgeroorlog.

force

/fɔːrs/

(noun) kracht, energie, geweld;

(verb) dwingen, forceren

Voorbeeld:

He pushed the door with great force.
Hij duwde de deur met grote kracht.

plan

/plæn/

(noun) plan, ontwerp, plattegrond;

(verb) plannen, organiseren

Voorbeeld:

We need a solid plan to finish this project on time.
We hebben een solide plan nodig om dit project op tijd af te krijgen.

version

/ˈvɝː.ʒən/

(noun) versie, uitvoering, lezing

Voorbeeld:

This is the latest version of the software.
Dit is de nieuwste versie van de software.

town

/taʊn/

(noun) stad, plaats, inwoners van de stad

Voorbeeld:

She grew up in a small town in the countryside.
Ze groeide op in een klein stadje op het platteland.

option

/ˈɑːp.ʃən/

(noun) optie, keuze, koopoptie

Voorbeeld:

You have two options: stay or leave.
Je hebt twee opties: blijven of weggaan.

trip

/trɪp/

(noun) reis, uitstapje, struikelpartij;

(verb) struikelen, vallen, reizen

Voorbeeld:

We're planning a weekend trip to the mountains.
We plannen een weekendtrip naar de bergen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland