Avatar of Vocabulary Set Top 26 - 50 Adverbs

Vocabulaireverzameling Top 26 - 50 Adverbs in 500 meest voorkomende Engelse bijwoorden: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Top 26 - 50 Adverbs' in '500 meest voorkomende Engelse bijwoorden' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

maybe

/ˈmeɪ.bi/

(adverb) misschien, wellicht

Voorbeeld:

Maybe I'll go to the party, maybe I won't.
Misschien ga ik naar het feest, misschien ook niet.

never

/ˈnev.ɚ/

(adverb) nooit, geenszins

Voorbeeld:

I have never been to Paris.
Ik ben nooit in Parijs geweest.

always

/ˈɑːl.weɪz/

(adverb) altijd, voor altijd, voortdurend

Voorbeeld:

She always arrives on time.
Ze komt altijd op tijd aan.

back

/bæk/

(noun) rug, achterkant;

(adverb) terug, achteruit, vroeger;

(adjective) achterste;

(verb) achteruitgaan, steunen, ondersteunen

Voorbeeld:

He lay on his back, looking up at the stars.
Hij lag op zijn rug, naar de sterren kijkend.

most

/moʊst/

(determiner) meeste, grootste deel;

(adverb) meest, het meest;

(pronoun) meeste, het meest

Voorbeeld:

Most people agree with the decision.
De meeste mensen zijn het eens met de beslissing.

all

/ɑːl/

(determiner) alle, heel;

(pronoun) alles, iedereen;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

She ate all the cake.
Ze at alle cake op.

probably

/ˈprɑː.bə.bli/

(adverb) waarschijnlijk, vermoedelijk

Voorbeeld:

It's probably going to rain later.
Het gaat waarschijnlijk later regenen.

pretty

/ˈprɪt̬.i/

(adjective) mooi, knap;

(adverb) redelijk, tamelijk

Voorbeeld:

She wore a pretty dress to the party.
Ze droeg een mooie jurk naar het feest.

ever

/ˈev.ɚ/

(adverb) ooit, altijd, in vredesnaam

Voorbeeld:

Have you ever been to Paris?
Ben je ooit in Parijs geweest?

all right

/ɔːl ˈraɪt/

(adjective) in orde, wel aardig, acceptabel;

(adverb) goed, redelijk

Voorbeeld:

The movie was all right, but not great.
De film was wel aardig, maar niet geweldig.

already

/ɑːlˈred.i/

(adverb) al, reeds, nu al

Voorbeeld:

She has already finished her homework.
Ze heeft haar huiswerk al af.

of course

/əv kɔːrs/

(phrase) natuurlijk, uiteraard

Voorbeeld:

Are you coming to the party? Of course!
Kom je naar het feest? Natuurlijk!

about

/əˈbaʊt/

(preposition) over, betreffende, ongeveer;

(adverb) bijna, op het punt staan;

(adjective) aanwezig, in de buurt

Voorbeeld:

What are you talking about?
Waar heb je het over?

far

/fɑːr/

(adverb) ver, veel, erg;

(adjective) ver

Voorbeeld:

How far is it to the nearest gas station?
Hoe ver is het naar het dichtstbijzijnde tankstation?

long

/lɑːŋ/

(adjective) lang, langdurig;

(adverb) lang;

(verb) verlangen, smachten

Voorbeeld:

The river is very long.
De rivier is erg lang.

together

/təˈɡeð.ɚ/

(adverb) samen, bij elkaar, tot een geheel;

(adjective) op orde, evenwichtig

Voorbeeld:

They walked together down the street.
Ze liepen samen de straat af.

almost

/ˈɑːl.moʊst/

(adverb) bijna, nagenoeg

Voorbeeld:

I'm almost done with my homework.
Ik ben bijna klaar met mijn huiswerk.

a lot

/ə ˈlɑːt/

(determiner) veel, een hoop;

(adverb) erg, veel

Voorbeeld:

She has a lot of friends.
Ze heeft veel vrienden.

else

/els/

(adverb) nog meer, anders, verschillend

Voorbeeld:

What else do you need?
Wat heb je nog meer nodig?

sometimes

/ˈsʌm.taɪmz/

(adverb) soms, af en toe

Voorbeeld:

Sometimes I like to read a book before bed.
Soms lees ik graag een boek voor het slapengaan.

often

/ˈɑːf.ən/

(adverb) vaak, dikwijls

Voorbeeld:

She often visits her grandparents.
Ze bezoekt haar grootouders vaak.

once

/wʌns/

(adverb) eens, één keer, vroeger;

(conjunction) zodra, wanneer

Voorbeeld:

I only met him once.
Ik heb hem maar één keer ontmoet.

later

/ˈleɪ.t̬ɚ/

(adverb) later, daarna;

(adjective) later, volgend

Voorbeeld:

I'll call you later.
Ik bel je later.

exactly

/ɪɡˈzækt.li/

(adverb) precies, exact, inderdaad

Voorbeeld:

The measurements must be exactly right.
De metingen moeten precies kloppen.

basically

/ˈbeɪ.sɪ.kəl.i/

(adverb) in principe, fundamenteel, kortom

Voorbeeld:

Basically, we need to cut costs.
In principe moeten we de kosten verlagen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland