Avatar of Vocabulary Set C1 - Wilde dieren

Vocabulaireverzameling C1 - Wilde dieren in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'C1 - Wilde dieren' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

amphibian

/æmˈfɪb.i.ən/

(noun) amfibie;

(adjective) amfibisch

Voorbeeld:

Frogs are a common type of amphibian.
Kikkers zijn een veelvoorkomend type amfibie.

cold-blooded

/ˈkoʊldˌblʌdɪd/

(adjective) koudbloedig, poikilotherm, koelbloedig

Voorbeeld:

Reptiles are cold-blooded animals.
Reptielen zijn koudbloedige dieren.

warm-blooded

/ˈwɔːrmˌblʌdɪd/

(adjective) warmbloedig, hartstochtelijk, enthousiast

Voorbeeld:

Mammals and birds are warm-blooded animals.
Zoogdieren en vogels zijn warmbloedige dieren.

indigenous

/ɪnˈdɪdʒ.ə.nəs/

(adjective) inheems, oorspronkelijk

Voorbeeld:

The kangaroo is indigenous to Australia.
De kangoeroe is inheems in Australië.

rodent

/ˈroʊ.dənt/

(noun) knaagdier

Voorbeeld:

The house was infested with rodents, so they called an exterminator.
Het huis was besmet met knaagdieren, dus belden ze een ongediertebestrijder.

predator

/ˈpred.ə.t̬ɚ/

(noun) roofdier, uitbuiter, predator

Voorbeeld:

Lions are apex predators in their ecosystem.
Leeuwen zijn toproofdieren in hun ecosysteem.

den

/den/

(noun) hol, leger, studeerkamer;

(verb) huizen, verblijven

Voorbeeld:

The bear retreated to its den for the winter.
De beer trok zich terug in zijn hol voor de winter.

camouflage

/ˈkæm.ə.flɑːʒ/

(noun) camouflage, verhulling;

(verb) camoufleren, verbergen, maskeren

Voorbeeld:

The soldiers used natural foliage for camouflage.
De soldaten gebruikten natuurlijke begroeiing voor camouflage.

growl

/ɡraʊl/

(verb) grommen, mopperen, brommen;

(noun) grom, gegrom

Voorbeeld:

The dog began to growl at the stranger.
De hond begon te grommen naar de vreemdeling.

baboon

/bəˈbuːn/

(noun) baviaan

Voorbeeld:

The baboon groomed its fur in the sun.
De baviaan verzorgde zijn vacht in de zon.

badger

/ˈbædʒ.ɚ/

(noun) das;

(verb) lastigvallen, treiteren

Voorbeeld:

The badger emerged from its sett at dusk.
De das kwam bij schemering uit zijn burcht.

buffalo

/ˈbʌf.ə.loʊ/

(noun) buffel;

(verb) intimideren, verwarren

Voorbeeld:

The herd of buffalo grazed peacefully on the savanna.
De kudde buffels graasde vredig op de savanne.

coyote

/kaɪˈoʊ.t̬i/

(noun) coyote, prairiewolf

Voorbeeld:

We heard a coyote howling in the distance last night.
We hoorden gisteravond een coyote in de verte huilen.

cougar

/ˈkuː.ɡɚ/

(noun) poema, bergleeuw, cougar

Voorbeeld:

The cougar stalked its prey silently through the dense forest.
De poema besloop zijn prooi geruisloos door het dichte bos.

hare

/her/

(noun) haas;

(verb) rennen, hazen

Voorbeeld:

The hare darted across the field, its long ears twitching.
De haas schoot over het veld, zijn lange oren trillend.

hippo

/ˈhɪp.oʊ/

(noun) nijlpaard

Voorbeeld:

The hippo submerged itself in the cool river water.
Het nijlpaard dompelde zich onder in het koele rivierwater.

jaguar

/ˈdʒæɡ.wɑːr/

(noun) jaguar;

(trademark) Jaguar (automerk)

Voorbeeld:

The jaguar is the largest cat in the Americas.
De jaguar is de grootste kat in Noord- en Zuid-Amerika.

panther

/ˈpæn.θɚ/

(noun) panter, zwarte panter

Voorbeeld:

The black panther moved silently through the jungle.
De zwarte panter bewoog geruisloos door de jungle.

rhinoceros

/raɪˈnɑː.sɚ.əs/

(noun) neushoorn

Voorbeeld:

The rhinoceros charged across the savanna.
De neushoorn stormde over de savanne.

trunk

/trʌŋk/

(noun) stam, slurf, koffer

Voorbeeld:

The elephant rubbed its back against the rough trunk of the tree.
De olifant wreef zijn rug tegen de ruwe stam van de boom.

tusk

/tʌsk/

(noun) slagtand;

(verb) doorboren met slagtand, verwonden met slagtand

Voorbeeld:

The elephant's magnificent tusks were a sight to behold.
De prachtige slagtanden van de olifant waren een lust voor het oog.

skunk

/skʌŋk/

(noun) stinkdier, rotzak, smeerlap;

(verb) verpletteren, nul punten toekennen

Voorbeeld:

We saw a skunk near our campsite last night.
We zagen gisteravond een stinkdier bij onze camping.

flock

/flɑːk/

(noun) zwerm, kudde, menigte;

(verb) stromen, zich verzamelen

Voorbeeld:

A large flock of birds flew overhead.
Een grote zwerm vogels vloog over.

cuckoo

/ˈkʊk.uː/

(noun) koekoek, gek, idioot;

(adjective) gek, maf

Voorbeeld:

The sound of the cuckoo signaled the arrival of spring.
Het geluid van de koekoek kondigde de komst van de lente aan.

dove

/dʌv/

(noun) duif;

(past tense) dook

Voorbeeld:

A white dove flew over the wedding ceremony.
Een witte duif vloog over de huwelijksceremonie.

falcon

/ˈfɑːl.kən/

(noun) valk

Voorbeeld:

The falcon soared high above the desert, searching for its next meal.
De valk zweefde hoog boven de woestijn, op zoek naar zijn volgende maaltijd.

peacock

/ˈpiː.kɑːk/

(noun) pauw, ijdel persoon, pronker;

(verb) pronken, opscheppen

Voorbeeld:

The male peacock displayed its beautiful tail feathers.
De mannelijke pauw toonde zijn prachtige staartveren.

raven

/ˈreɪ.vən/

(noun) raaf;

(adjective) zwart, gitzwart;

(verb) verslinden, gulzig eten

Voorbeeld:

A lone raven soared majestically over the mountain peak.
Een eenzame raaf zweefde majestueus over de bergtop.

swallow

/ˈswɑː.loʊ/

(verb) slikken, doorslikken, accepteren;

(noun) zwaluw, slik, doorslikken

Voorbeeld:

He took a large gulp and swallowed the bitter medicine.
Hij nam een grote slok en slikte de bittere medicijn door.

dragonfly

/ˈdræɡ.ən.flaɪ/

(noun) libel

Voorbeeld:

A beautiful dragonfly landed on the lily pad.
Een prachtige libel landde op het lelieblad.

grasshopper

/ˈɡræsˌhɑː.pɚ/

(noun) sprinkhaan

Voorbeeld:

The grasshopper hopped across the lawn.
De sprinkhaan sprong over het gazon.

wasp

/wɑːsp/

(noun) wesp, WASP

Voorbeeld:

A wasp stung me on the arm.
Een wesp stak me in mijn arm.

crab

/kræb/

(noun) krab;

(verb) klagen, mopperen

Voorbeeld:

We caught a large crab at the beach.
We vingen een grote krab op het strand.

python

/ˈpaɪ.θɑːn/

(noun) python, wurgslang, Python

Voorbeeld:

The zookeeper fed a large rat to the python.
De dierenverzorger voerde een grote rat aan de python.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland