Vocabulaireverzameling B1 - Reizen en Vakantie in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Reizen en Vakantie' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) rugzak;
(verb) backpacken, met een rugzak reizen
Voorbeeld:
(noun) bed and breakfast, B&B, pension
Voorbeeld:
(noun) vakantie, feestdag;
(verb) vakantie vieren, op vakantie gaan
Voorbeeld:
(noun) boeking, reservering, registratie
Voorbeeld:
(noun) brochure, folder
Voorbeeld:
(adjective) betaalbaar, voordelig
Voorbeeld:
(noun) kamp, fractie;
(verb) kamperen;
(adjective) overdreven, campy
Voorbeeld:
(noun) kampvuur
Voorbeeld:
(adverb) buiten, in de open lucht;
(adjective) buiten-, openlucht-
Voorbeeld:
(noun) keycard, sleutelkaart
Voorbeeld:
(phrasal verb) inchecken, aanmelden, contact opnemen
Voorbeeld:
(phrasal verb) controleren, nakijken, uitchecken
Voorbeeld:
(noun) receptiebalie, balie
Voorbeeld:
(noun) receptionist, baliemedewerker
Voorbeeld:
(noun) dagtocht, dagje uit
Voorbeeld:
(noun) portier, deurwachter
Voorbeeld:
(adjective) dubbel, tweevoudig, twee keer zoveel;
(verb) verdubbelen;
(adverb) dubbel, twee keer zoveel;
(noun) dubbele, tweehonkslag
Voorbeeld:
(noun) familiekamer
Voorbeeld:
(noun) uitwisseling, ruil, beurs;
(verb) uitwisselen, ruilen
Voorbeeld:
(verb) verkennen, ontdekken, onderzoeken
Voorbeeld:
(noun) receptie, balie
Voorbeeld:
(noun) gids, reisleider
Voorbeeld:
(noun) hostel, herberg
Voorbeeld:
(noun) minibar
Voorbeeld:
(noun) bagage
Voorbeeld:
(noun) bezoeker, gast
Voorbeeld:
(verb) zonnebaden
Voorbeeld:
(verb) blijven, verblijven, voortduren;
(noun) verblijf, logeerpartij
Voorbeeld:
(noun) kust, badplaats, zeekant;
(adjective) kust-, aan zee
Voorbeeld:
(noun) safari, expeditie, reis;
(verb) safariën, op safari gaan
Voorbeeld:
(adjective) enkel, enig, alleenstaand;
(noun) enkel, eenpersoons;
(verb) een honkslag slaan
Voorbeeld:
(noun) zicht, gezichtsvermogen, gezicht;
(verb) zien, waarnemen
Voorbeeld:
(noun) rondreis, tournee, rondleiding;
(verb) toeren, rondreizen
Voorbeeld:
(noun) huisje, cottage
Voorbeeld: