Vocabulaireverzameling A2 - Hobby's en Dagelijkse Activiteiten in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A2 - Hobby's en Dagelijkse Activiteiten' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) vissen, visserij;
(verb) vissend, aan het vissen
Voorbeeld:
(noun) vis;
(verb) vissen, vissen naar, uitvragen
Voorbeeld:
(verb) lopen, wandelen, uitlaten;
(noun) wandeling, loopafstand
Voorbeeld:
(noun) yoga
Voorbeeld:
(noun) balspel, situatie, zaak
Voorbeeld:
(noun) kaartspel
Voorbeeld:
(noun) tafeltennis, pingpong
Voorbeeld:
(noun) barbecue, BBQ, grill;
(verb) barbecueën, grillen
Voorbeeld:
(noun) kamp, fractie;
(verb) kamperen;
(adjective) overdreven, campy
Voorbeeld:
(noun) kamperen, camping
Voorbeeld:
(noun) camping, kampeerplaats
Voorbeeld:
(noun) club, vereniging, knuppel;
(verb) slaan, knuppelen
Voorbeeld:
(noun) feest, partij, groep;
(verb) feesten, partij vieren
Voorbeeld:
(noun) picknick;
(verb) picknicken
Voorbeeld:
(noun) tent;
(verb) kamperen, een tent opzetten
Voorbeeld:
(noun) douche, douchebeurt, bui;
(verb) douchen, neerregenen, overladen
Voorbeeld:
(noun) bad, badbeurt, badkuip;
(verb) baden, wassen
Voorbeeld:
(noun) was, wasgoed, wasserette
Voorbeeld:
(adjective) verveeld, vervelen
Voorbeeld:
(adjective) verrassend, verbazingwekkend
Voorbeeld:
(adjective) aangenaam, plezierig
Voorbeeld:
(adjective) heerlijk, verrukkelijk, charmant
Voorbeeld:
(adjective) blij, tevreden, verheugd
Voorbeeld:
(noun) koken, kookkunst;
(verb) koken, bereiden
Voorbeeld:
(noun) plezier, pret, vermaak;
(adjective) leuk, grappig, vermakelijk
Voorbeeld:
(noun) schoonmaak, reiniging;
(verb) schoonmakend;
(adjective) schoonmaak
Voorbeeld:
(verb) beginnen, aanvangen, starten
Voorbeeld:
(noun) einde, slot, uiteinde;
(verb) eindigen, afsluiten, beëindigen
Voorbeeld:
(verb) ontspannen, tot rust komen, versoepelen
Voorbeeld:
(noun) rook, roken;
(verb) roken, walmen
Voorbeeld:
(verb) dansen, fladderen;
(noun) dans, dansfeest
Voorbeeld:
(noun) waterpark
Voorbeeld: