Vocabulaireverzameling A1 - Banen in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Banen' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) geld, vermogen, kapitaal
Voorbeeld:
(noun) baan, werk, klus;
(verb) uitbesteden, een klus doen
Voorbeeld:
(noun) werk, arbeid, taak;
(verb) werken, arbeiden, functioneren
Voorbeeld:
(noun) dokter, arts, doctor;
(verb) vervalsen, manipuleren, repareren
Voorbeeld:
(noun) tandarts
Voorbeeld:
(noun) verpleegkundige, verpleger, verpleegster;
(verb) verplegen, verzorgen, voeden
Voorbeeld:
(noun) leraar, docent
Voorbeeld:
(noun) bakker
Voorbeeld:
(noun) chef-kok, kok
Voorbeeld:
(noun) accountant, boekhouder
Voorbeeld:
(noun) ingenieur;
(verb) ontwerpen, bouwen, manipuleren
Voorbeeld:
(noun) acteur
Voorbeeld:
(noun) actrice
Voorbeeld:
(noun) advocaat, jurist
Voorbeeld:
(noun) secretaresse, secretaris, minister
Voorbeeld:
(noun) verkoper, verkoopster
Voorbeeld:
(noun) politieagent, agent
Voorbeeld:
(noun) ober, kelner
Voorbeeld:
(noun) serveerster
Voorbeeld:
(noun) monteur, mechanicus
Voorbeeld:
(noun) architect, bedenker, ontwerper
Voorbeeld:
(noun) chauffeur, bestuurder, driver
Voorbeeld:
(noun) zakenpersoon, ondernemer
Voorbeeld:
(noun) werknemer, medewerker
Voorbeeld:
(noun) werkgever
Voorbeeld:
(noun) stewardess, steward
Voorbeeld: