Avatar of Vocabulary Set A1 - Banen

Vocabulaireverzameling A1 - Banen in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Banen' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

money

/ˈmʌn.i/

(noun) geld, vermogen, kapitaal

Voorbeeld:

I need to withdraw some money from the bank.
Ik moet wat geld opnemen van de bank.

job

/dʒɑːb/

(noun) baan, werk, klus;

(verb) uitbesteden, een klus doen

Voorbeeld:

She got a new job as a software engineer.
Ze kreeg een nieuwe baan als software-engineer.

work

/wɝːk/

(noun) werk, arbeid, taak;

(verb) werken, arbeiden, functioneren

Voorbeeld:

I have a lot of work to do today.
Ik heb vandaag veel werk te doen.

doctor

/ˈdɑːk.tɚ/

(noun) dokter, arts, doctor;

(verb) vervalsen, manipuleren, repareren

Voorbeeld:

The doctor examined the patient carefully.
De dokter onderzocht de patiënt zorgvuldig.

dentist

/ˈden.t̬ɪst/

(noun) tandarts

Voorbeeld:

I have an appointment with the dentist tomorrow.
Ik heb morgen een afspraak met de tandarts.

nurse

/nɝːs/

(noun) verpleegkundige, verpleger, verpleegster;

(verb) verplegen, verzorgen, voeden

Voorbeeld:

The nurse checked the patient's vital signs.
De verpleegkundige controleerde de vitale functies van de patiënt.

teacher

/ˈtiː.tʃɚ/

(noun) leraar, docent

Voorbeeld:

My favorite teacher is Mrs. Davis.
Mijn favoriete leraar is mevrouw Davis.

baker

/ˈbeɪ.kɚ/

(noun) bakker

Voorbeeld:

The baker kneaded the dough early in the morning.
De bakker kneedde het deeg vroeg in de ochtend.

chef

/ʃef/

(noun) chef-kok, kok

Voorbeeld:

The chef prepared a delicious meal for us.
De chef-kok bereidde een heerlijke maaltijd voor ons.

accountant

/əˈkaʊn.t̬ənt/

(noun) accountant, boekhouder

Voorbeeld:

My accountant helps me with my taxes every year.
Mijn accountant helpt me elk jaar met mijn belastingen.

engineer

/ˌen.dʒɪˈnɪr/

(noun) ingenieur;

(verb) ontwerpen, bouwen, manipuleren

Voorbeeld:

My brother is a software engineer.
Mijn broer is een software-ingenieur.

actor

/ˈæk.tɚ/

(noun) acteur

Voorbeeld:

He is a famous Hollywood actor.
Hij is een beroemde Hollywood acteur.

actress

/ˈæk.trəs/

(noun) actrice

Voorbeeld:

She is a famous actress known for her dramatic roles.
Zij is een beroemde actrice, bekend om haar dramatische rollen.

lawyer

/ˈlɔɪ.jɚ/

(noun) advocaat, jurist

Voorbeeld:

She decided to become a lawyer after graduating from law school.
Ze besloot advocaat te worden na haar afstuderen aan de rechtenfaculteit.

secretary

/ˈsek.rə.ter.i/

(noun) secretaresse, secretaris, minister

Voorbeeld:

My secretary handles all my appointments and correspondence.
Mijn secretaresse regelt al mijn afspraken en correspondentie.

salesperson

/ˈseɪlzˌpɝː.sən/

(noun) verkoper, verkoopster

Voorbeeld:

The salesperson helped me find the right size.
De verkoper hielp me de juiste maat te vinden.

police officer

/pəˈliːs ˌɑː.fɪ.sər/

(noun) politieagent, agent

Voorbeeld:

The police officer directed traffic after the accident.
De politieagent regelde het verkeer na het ongeluk.

waiter

/ˈweɪ.t̬ɚ/

(noun) ober, kelner

Voorbeeld:

The waiter brought us the menu.
De ober bracht ons de menukaart.

waitress

/ˈweɪ.trəs/

(noun) serveerster

Voorbeeld:

The waitress took our order with a smile.
De serveerster nam onze bestelling glimlachend op.

mechanic

/məˈkæn.ɪk/

(noun) monteur, mechanicus

Voorbeeld:

The car broke down, so I called a mechanic.
De auto viel stil, dus ik belde een monteur.

architect

/ˈɑːr.kə.tekt/

(noun) architect, bedenker, ontwerper

Voorbeeld:

The architect presented the blueprints for the new library.
De architect presenteerde de blauwdrukken voor de nieuwe bibliotheek.

driver

/ˈdraɪ.vɚ/

(noun) chauffeur, bestuurder, driver

Voorbeeld:

The bus driver announced the next stop.
De buschauffeur kondigde de volgende halte aan.

businessperson

/ˈbɪz.nɪs.pɝː.sən/

(noun) zakenpersoon, ondernemer

Voorbeeld:

She is a successful businessperson with several ventures.
Zij is een succesvolle zakenpersoon met verschillende ondernemingen.

employee

/ɪmˈplɔɪ.iː/

(noun) werknemer, medewerker

Voorbeeld:

The company has over 500 employees worldwide.
Het bedrijf heeft wereldwijd meer dan 500 werknemers.

employer

/ɪmˈplɔɪ.ɚ/

(noun) werkgever

Voorbeeld:

My employer offers great benefits.
Mijn werkgever biedt geweldige voordelen.

flight attendant

/ˈflaɪt əˌten.dənt/

(noun) stewardess, steward

Voorbeeld:

The flight attendant demonstrated the safety procedures.
De stewardess demonstreerde de veiligheidsprocedures.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland