Avatar of Vocabulary Set A1 - Voedsel 2

Vocabulaireverzameling A1 - Voedsel 2 in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Voedsel 2' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

meal

/mɪəl/

(noun) maaltijd, eten

Voorbeeld:

We had a delicious meal at the new restaurant.
We hadden een heerlijke maaltijd in het nieuwe restaurant.

breakfast

/ˈbrek.fəst/

(noun) ontbijt;

(verb) ontbijten

Voorbeeld:

I usually have toast and coffee for breakfast.
Ik eet meestal toast en koffie als ontbijt.

lunch

/lʌntʃ/

(noun) lunch, middagmaaltijd;

(verb) lunchen

Voorbeeld:

Let's meet for lunch tomorrow.
Laten we morgen afspreken voor de lunch.

dinner

/ˈdɪn.ɚ/

(noun) diner, avondeten

Voorbeeld:

What are we having for dinner tonight?
Wat eten we vanavond als avondeten?

cereal

/ˈsɪr.i.əl/

(noun) graan, graangewas, ontbijtgranen

Voorbeeld:

Wheat is a common cereal crop.
Tarwe is een veelvoorkomend graangewas.

tea

/tiː/

(noun) thee, vieruurtje

Voorbeeld:

Would you like a cup of tea?
Wilt u een kopje thee?

coffee

/ˈkɑː.fi/

(noun) koffie, koffiebonen

Voorbeeld:

I start my day with a cup of hot coffee.
Ik begin mijn dag met een kop hete koffie.

cake

/keɪk/

(noun) cake, taart, koekje;

(verb) aankoeken, samenkoeken

Voorbeeld:

She baked a delicious chocolate cake for the party.
Ze bakte een heerlijke chocolade cake voor het feest.

cookie

/ˈkʊk.i/

(noun) koekje, cookie

Voorbeeld:

She baked a fresh batch of chocolate chip cookies.
Ze bakte een verse lading chocoladechipkoekjes.

bread

/bred/

(noun) brood, geld, poen;

(verb) paneren

Voorbeeld:

She bought a loaf of bread from the bakery.
Ze kocht een brood brood bij de bakker.

honey

/ˈhʌn.i/

(noun) honing, schat, liefje;

(verb) overtuigen, verzachten

Voorbeeld:

She added a spoonful of honey to her tea.
Ze voegde een lepel honing toe aan haar thee.

jam

/dʒæm/

(noun) jam, opstopping, file;

(verb) proppen, vastzetten, jammen

Voorbeeld:

She made homemade strawberry jam.
Ze maakte zelfgemaakte aardbeienjam.

juice

/dʒuːs/

(noun) sap, stroom, elektriciteit;

(verb) persen, sap maken

Voorbeeld:

She squeezed fresh orange juice for breakfast.
Ze perste verse sinaasappelsap voor het ontbijt.

cracker

/ˈkræk.ɚ/

(noun) cracker, zoutje, rotje

Voorbeeld:

She spread cheese on a cracker.
Ze smeerde kaas op een cracker.

ice cream

/ˈaɪs ˌkriːm/

(noun) ijs, roomijs

Voorbeeld:

I would like a scoop of vanilla ice cream.
Ik wil graag een bolletje vanille ijs.

candy

/ˈkæn.di/

(noun) snoep, lekkernij;

(verb) kandijeren, versuikeren

Voorbeeld:

The children were excited to get candy on Halloween.
De kinderen waren opgewonden om snoep te krijgen met Halloween.

drink

/drɪŋk/

(noun) drankje, drank, slok;

(verb) drinken, alcohol drinken

Voorbeeld:

Would you like a drink?
Wilt u een drankje?

water

/ˈwɑː.t̬ɚ/

(noun) water;

(verb) wateren, begieten

Voorbeeld:

Please give me a glass of water.
Geef me alsjeblieft een glas water.

cola

/ˈkoʊ.lə/

(noun) cola

Voorbeeld:

He ordered a glass of cola with his meal.
Hij bestelde een glas cola bij zijn maaltijd.

coke

/koʊk/

(noun) Cola, Coca-Cola, cokes

Voorbeeld:

Can I have a Coke with my meal?
Mag ik een Cola bij mijn maaltijd?

rice

/raɪs/

(noun) rijst;

(verb) rijst wassen, purere, fijnpersen

Voorbeeld:

She cooked a delicious meal with chicken and rice.
Ze kookte een heerlijke maaltijd met kip en rijst.

soup

/suːp/

(noun) soep

Voorbeeld:

She made a delicious chicken soup for dinner.
Ze maakte een heerlijke kippensoep voor het avondeten.

salad

/ˈsæl.əd/

(noun) salade

Voorbeeld:

I ordered a fresh green salad with grilled chicken.
Ik bestelde een verse groene salade met gegrilde kip.

burger

/ˈbɝː.ɡɚ/

(noun) burger, hamburger

Voorbeeld:

I ordered a cheeseburger with extra pickles.
Ik bestelde een cheeseburger met extra augurken.

pizza

/ˈpiːt.sə/

(noun) pizza

Voorbeeld:

Let's order a large pizza for dinner tonight.
Laten we vanavond een grote pizza bestellen voor het avondeten.

sandwich

/ˈsæn.wɪtʃ/

(noun) broodje, sandwich;

(verb) wringen, inklemmen

Voorbeeld:

I'll have a ham and cheese sandwich for lunch.
Ik neem een ham-kaas broodje voor de lunch.

spaghetti

/spəˈɡet̬.i/

(noun) spaghetti, wirwar, knoop

Voorbeeld:

She cooked a delicious plate of spaghetti with meatballs.
Ze kookte een heerlijk bord spaghetti met gehaktballen.

sugar

/ˈʃʊɡ.ɚ/

(noun) suiker, schatje, liefje;

(verb) suikeren, zoeten

Voorbeeld:

Add two spoons of sugar to your coffee.
Voeg twee lepels suiker toe aan je koffie.

salt

/sɑːlt/

(noun) zout, chemische verbinding;

(verb) zouten, pekelen

Voorbeeld:

Add a pinch of salt to the soup for flavor.
Voeg een snufje zout toe aan de soep voor de smaak.

oil

/ɔɪl/

(noun) olie, olieverf;

(verb) oliën, smeren

Voorbeeld:

The car needs an oil change.
De auto heeft een olieverversing nodig.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland