Vocabulaireverzameling A1 - Bijwoorden en voornaamwoorden in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Bijwoorden en voornaamwoorden' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) buitenkant, buiten;
(adjective) buiten-, extern;
(adverb) buiten;
(preposition) buiten
Voorbeeld:
(noun) binnenkant, interieur;
(adverb) binnen, binnenin;
(adjective) binnenste, intern;
(preposition) binnenin, in
Voorbeeld:
(adverb) altijd, voor altijd, voortdurend
Voorbeeld:
(adverb) nooit, geenszins
Voorbeeld:
(adverb) meestal, gewoonlijk
Voorbeeld:
(adverb) vaak, dikwijls
Voorbeeld:
(adverb) zelden, nauwelijks
Voorbeeld:
(adverb) soms, af en toe
Voorbeeld:
(adverb) nu, op dit moment, zojuist;
(interjection) nu, onmiddellijk;
(noun) nu, het heden;
(conjunction) nu, aangezien
Voorbeeld:
(adverb) spoedig, binnenkort, eerder
Voorbeeld:
(adverb) te, ook, daarbij
Voorbeeld:
(adverb) hier, daar;
(exclamation) hier, alsjeblieft
Voorbeeld:
(adverb) daar, erheen, er;
(pronoun) daar, die plaats;
(interjection) er, daar
Voorbeeld:
(adverb) weer, nogmaals, terug
Voorbeeld:
(adjective) zeker, vaststaand, overtuigd;
(adverb) zeker, inderdaad;
(exclamation) zeker, natuurlijk
Voorbeeld:
(phrase) natuurlijk, uiteraard
Voorbeeld:
(adverb) echt, werkelijk, heel;
(interjection) echt?, werkelijk?
Voorbeeld:
(preposition) onder, minder dan;
(adverb) onder, naar beneden;
(adjective) ondergeschikt, minderwaardig
Voorbeeld:
(adverb) waarom;
(noun) reden, oorzaak;
(interjection) nou, ach
Voorbeeld:
(adverb) waar, waarheen, waarop;
(conjunction) waar, de plaats waar;
(noun) verblijfplaats, locatie
Voorbeeld:
(adverb) wanneer, toen;
(noun) wanneer, tijdstip;
(conjunction) dat, toen
Voorbeeld:
(pronoun) wat, welke;
(determiner) wat, welke;
(adverb) wat;
(interjection) wat
Voorbeeld:
(adverb) hoe, manier;
(noun) hoe, manier;
(conjunction) hoe
Voorbeeld:
(determiner) welke, wat voor;
(pronoun) welke, wat, die
Voorbeeld:
(determiner) wiens, waarvan;
(pronoun) wiens
Voorbeeld:
(adverb) nog meer, anders, verschillend
Voorbeeld: