Avatar of Vocabulary Set A0 - Thuis

Vocabulaireverzameling A0 - Thuis in A0 - Woordenschat voor beginners: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A0 - Thuis' in 'A0 - Woordenschat voor beginners' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

box

/bɑːks/

(noun) doos, kist, vak;

(verb) inpakken, verpakken, boksen

Voorbeeld:

He put the gift in a small box.
Hij deed het cadeau in een kleine doos.

clock

/klɑːk/

(noun) klok, uurwerk;

(verb) klokken, meten

Voorbeeld:

The clock on the wall struck noon.
De klok aan de muur sloeg twaalf uur.

cupboard

/ˈkʌb.ɚd/

(noun) kast, opbergkast

Voorbeeld:

She put the dishes back in the cupboard.
Ze zette de afwas terug in de kast.

bedroom

/ˈbed.ruːm/

(noun) slaapkamer

Voorbeeld:

My bedroom has a large window overlooking the garden.
Mijn slaapkamer heeft een groot raam met uitzicht op de tuin.

bathroom

/ˈbæθ.ruːm/

(noun) badkamer, toilet

Voorbeeld:

I need to use the bathroom.
Ik moet naar de badkamer.

hall

/hɑːl/

(noun) hal, gang, zaal

Voorbeeld:

She waited for him in the hall.
Ze wachtte op hem in de hal.

garden

/ˈɡɑːr.dən/

(noun) tuin;

(verb) tuinieren, beplanten

Voorbeeld:

She spent the afternoon working in her garden.
Ze bracht de middag door met werken in haar tuin.

mirror

/ˈmɪr.ɚ/

(noun) spiegel, weerspiegeling;

(verb) spiegelen, weerspiegelen

Voorbeeld:

She looked at herself in the mirror.
Ze keek naar zichzelf in de spiegel.

bath

/bæθ/

(noun) bad, badbeurt, badkuip;

(verb) baden, wassen

Voorbeeld:

I'm going to take a warm bath to relax.
Ik ga een warm bad nemen om te ontspannen.

bed

/bed/

(noun) bed, bedding, bodem;

(verb) naar bed brengen, te slapen leggen, planten

Voorbeeld:

I'm so tired, I just want to go to bed.
Ik ben zo moe, ik wil gewoon naar bed.

bookcase

/ˈbʊk.keɪs/

(noun) boekenkast

Voorbeeld:

She arranged her favorite novels on the top shelf of the bookcase.
Ze rangschikte haar favoriete romans op de bovenste plank van de boekenkast.

apartment

/əˈpɑːrt.mənt/

(noun) appartement, flat

Voorbeeld:

They rented a small apartment in the city center.
Ze huurden een klein appartement in het stadscentrum.

chair

/tʃer/

(noun) stoel, voorzitter, leider;

(verb) voorzitten, leiden

Voorbeeld:

Please take a chair and sit down.
Neem alstublieft een stoel en ga zitten.

door

/dɔːr/

(noun) deur, huis, gebouw

Voorbeeld:

Please close the door when you leave.
Sluit alstublieft de deur als u weggaat.

flower

/ˈflaʊ.ɚ/

(noun) bloem;

(verb) bloeien

Voorbeeld:

The garden is full of beautiful flowers.
De tuin staat vol met prachtige bloemen.

sofa

/ˈsoʊ.fə/

(noun) bank, sofa

Voorbeeld:

We bought a new sofa for the living room.
We kochten een nieuwe bank voor de woonkamer.

painting

/ˈpeɪn.t̬ɪŋ/

(noun) schilderen, verven, schilderij

Voorbeeld:

She enjoys painting landscapes.
Ze geniet van het schilderen van landschappen.

lamp

/læmp/

(noun) lamp;

(verb) slaan, rammen

Voorbeeld:

She turned on the lamp to read her book.
Ze deed de lamp aan om haar boek te lezen.

rug

/rʌɡ/

(noun) kleed, vloerkleed

Voorbeeld:

She placed a colorful rug in the center of the living room.
Ze legde een kleurrijk kleed in het midden van de woonkamer.

television

/ˈtel.ə.vɪʒ.ən/

(noun) televisie, tv, televisietoestel

Voorbeeld:

We watched the news on television.
We keken naar het nieuws op televisie.

toy

/tɔɪ/

(noun) speelgoed, speeltje, amusementsobject;

(verb) spelen met, overwegen

Voorbeeld:

The child played with a wooden toy car.
Het kind speelde met een houten speelgoedauto.

day

/deɪ/

(noun) dag, tijd, periode;

(adverb) dagelijks, overdag

Voorbeeld:

There are seven days in a week.
Er zijn zeven dagen in een week.

morning

/ˈmɔːr.nɪŋ/

(noun) ochtend, morgen;

(exclamation) goedemorgen

Voorbeeld:

I usually wake up early in the morning.
Ik word meestal vroeg in de ochtend wakker.

afternoon

/ˌæf.tɚˈnuːn/

(noun) middag

Voorbeeld:

I'll meet you this afternoon.
Ik ontmoet je vanmiddag.

evening

/ˈiːv.nɪŋ/

(noun) avond

Voorbeeld:

We had dinner together last evening.
We hebben gisteravond samen gegeten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland