Betekenis van het woord passed in het Nederlands
Wat betekent passed in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland
passed
US /pæst/
UK /pɑːst/
Werkwoord
1.
passeren, voorbijgaan, doorgaan
move or cause to move in a specified direction
Voorbeeld:
•
He passed me the salt.
Hij gaf me het zout door.
•
A car passed by the house.
Een auto reed langs het huis.
2.
passeren, voorbijgaan
go past or across; leave behind or to one side in going
Voorbeeld:
•
We passed the old church on our way.
We passeerden de oude kerk onderweg.
•
The runner passed his opponent in the last lap.
De hardloper passeerde zijn tegenstander in de laatste ronde.
3.
slagen, halen
successfully complete an examination or course
Voorbeeld:
•
She passed her driving test on the first attempt.
Ze slaagde voor haar rijexamen bij de eerste poging.
•
He passed all his exams with flying colors.
Hij slaagde voor al zijn examens met vlag en wimpel.
4.
overlijden, sterven
die
Voorbeeld:
•
His grandmother passed away peacefully in her sleep.
Zijn grootmoeder is vredig overleden in haar slaap.
•
The old king passed after a long illness.
De oude koning overleed na een lange ziekte.
Bijvoeglijk Naamwoord
voorbij, verleden
gone by in time and no longer existing
Voorbeeld:
•
In passed years, things were different.
In voorbije jaren waren de dingen anders.
•
The passed generation had different values.
De voorbije generatie had andere waarden.