Avatar of Vocabulary Set Schoeisel

Vocabulaireverzameling Schoeisel in Kleding en Mode: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Schoeisel' in 'Kleding en Mode' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

moccasin

/ˈmɑː.kə.sɪn/

(noun) mocassin, watermocassin, katoenmondslang

Voorbeeld:

She wore comfortable moccasins around the house.
Ze droeg comfortabele mocassins in huis.

cowboy boot

/ˈkaʊ.bɔɪ ˌbuːt/

(noun) cowboylaars

Voorbeeld:

He wore a pair of classic leather cowboy boots to the rodeo.
Hij droeg een paar klassieke leren cowboylaarzen naar de rodeo.

Dr Martens

/ˌdɑːk.tɚ ˈmɑːr.tənz/

(trademark) Dr. Martens, Dr. Martens laarzen

Voorbeeld:

She always wears her classic black Dr. Martens with jeans.
Ze draagt altijd haar klassieke zwarte Dr. Martens met een spijkerbroek.

loafer

/ˈloʊ.fɚ/

(noun) luilak, lanterfanter, instapper

Voorbeeld:

He's been a loafer ever since he lost his job.
Hij is een luilak geweest sinds hij zijn baan verloor.

pump

/pʌmp/

(noun) pomp, pump, decolleté;

(verb) pompen, oppompen, op en neer bewegen

Voorbeeld:

He used a hand pump to inflate the bicycle tire.
Hij gebruikte een handpomp om de fietsband op te pompen.

slingback

/ˈslɪŋ.bæk/

(noun) slingback, sandaal met hielband

Voorbeeld:

She wore elegant black slingbacks to the party.
Ze droeg elegante zwarte slingbacks naar het feest.

mule

/mjuːl/

(noun) muilezel, muiltje, slipper

Voorbeeld:

The farmer used a mule to carry heavy loads up the mountain.
De boer gebruikte een muilezel om zware lasten de berg op te dragen.

sneaker

/ˈsniː.kɚ/

(noun) sneaker, sportschoen

Voorbeeld:

He bought a new pair of sneakers for running.
Hij kocht een nieuw paar sneakers om te rennen.

flipper

/ˈflɪp.ɚ/

(noun) zwemvlies, vin, zwemvliezen

Voorbeeld:

The seal used its flippers to glide through the water.
De zeehond gebruikte zijn zwemvliezen om door het water te glijden.

brogue

/broʊɡ/

(noun) brogue, perforatieschoen, accent

Voorbeeld:

He polished his leather brogues until they gleamed.
Hij poetste zijn leren brogues tot ze glommen.

roller skate

/ˈroʊlər skeɪt/

(noun) rolschaats, rolschaatsen;

(verb) rolschaatsen

Voorbeeld:

She put on her roller skates and glided down the street.
Ze trok haar rolschaatsen aan en gleed de straat af.

sandal

/ˈsæn.dəl/

(noun) sandaal

Voorbeeld:

She wore comfortable sandals to the beach.
Ze droeg comfortabele sandalen naar het strand.

high heels

/ˌhaɪ ˈhiːlz/

(plural noun) hoge hakken, naaldhakken

Voorbeeld:

She wore a beautiful dress and matching high heels.
Ze droeg een prachtige jurk en bijpassende hoge hakken.

athletic shoe

/æθˈlɛt.ɪk ʃuː/

(noun) sportschoen, atletische schoen

Voorbeeld:

He bought a new pair of athletic shoes for his morning run.
Hij kocht een nieuw paar sportschoenen voor zijn ochtendloop.

heels

/hiːlz/

(plural noun) hiel, hak

Voorbeeld:

She walked on her heels, trying to avoid stepping on the wet floor.
Ze liep op haar hielen, om te voorkomen dat ze op de natte vloer stapte.

rollerblade

/ˈroʊ.lɚ.bleɪd/

(noun) rollerblade, inline skate;

(verb) rollerbladen, inline skaten

Voorbeeld:

She put on her rollerblades and glided down the path.
Ze trok haar rollerblades aan en gleed over het pad.

platform

/ˈplæt.fɔːrm/

(noun) platform, perron, programma

Voorbeeld:

The train arrived at platform 9.
De trein arriveerde op perron 9.

slipper

/ˈslɪp.ɚ/

(noun) pantoffel, sloffen

Voorbeeld:

She put on her warm slippers after a long day.
Ze trok haar warme pantoffels aan na een lange dag.

tennis shoe

/ˈten.ɪs ˌʃuː/

(noun) tennisschoen, sportschoen

Voorbeeld:

He wore his old tennis shoes to the park.
Hij droeg zijn oude tennisschoenen naar het park.

trainer

/ˈtreɪ.nɚ/

(noun) trainer, coach, sneaker

Voorbeeld:

The horse's trainer prepared it for the race.
De trainer van het paard bereidde het voor op de race.

thong

/θɑːŋ/

(noun) veter, riem, bandje

Voorbeeld:

He used a leather thong to tie the bundle.
Hij gebruikte een leren veter om het pakket vast te binden.

rubber boot

/ˈrʌb.ər ˌbuːt/

(noun) rubberlaars, regenlaars

Voorbeeld:

She put on her yellow rubber boots before stepping into the muddy garden.
Ze trok haar gele rubberlaarzen aan voordat ze de modderige tuin in stapte.

snowshoe

/ˈsnoʊ.ʃuː/

(noun) sneeuwschoen;

(verb) sneeuwschoenwandelen

Voorbeeld:

He strapped on his snowshoes and headed into the deep powder.
Hij bond zijn sneeuwschoenen vast en ging de diepe poedersneeuw in.

stiletto

/stɪˈlet̬.oʊ/

(noun) naaldhak, stilettohak, stiletto

Voorbeeld:

She wore elegant black pumps with stiletto heels.
Ze droeg elegante zwarte pumps met naaldhakken.

boot

/buːt/

(noun) laars, kofferbak;

(verb) schoppen, eruit gooien, opstarten

Voorbeeld:

She wore leather boots for hiking.
Ze droeg leren laarzen om te wandelen.

desert boot

/ˈdɛzərt buːt/

(noun) desert boot, woestijnlaars

Voorbeeld:

He paired his jeans with classic brown desert boots for a casual look.
Hij combineerde zijn jeans met klassieke bruine desert boots voor een casual look.

rain boot

/ˈreɪn buːt/

(noun) regenlaars, regenlaarzen

Voorbeeld:

She put on her yellow rain boots before jumping in the puddles.
Ze trok haar gele regenlaarzen aan voordat ze in de plassen sprong.

cleats

/kliːts/

(plural noun) noppen, klampen

Voorbeeld:

The soccer player wore shoes with cleats for better grip on the field.
De voetballer droeg schoenen met noppen voor betere grip op het veld.

chukka boot

/ˈtʃʌk.ə ˌbuːt/

(noun) chukka boot

Voorbeeld:

He paired his jeans with a classic pair of brown chukka boots.
Hij combineerde zijn jeans met een klassiek paar bruine chukka boots.

ice skate

/ˈaɪs skeɪt/

(noun) schaats, ijsschaats;

(verb) schaatsen

Voorbeeld:

She laced up her ice skates before stepping onto the rink.
Ze snoerde haar schaatsen vast voordat ze de baan op ging.

jackboot

/ˈdʒæk.buːt/

(noun) legerlaars, knielaarzen, onderdrukking

Voorbeeld:

The soldiers marched in their heavy jackboots.
De soldaten marcheerden in hun zware legerlaarzen.

track shoe

/ˈtræk ˌʃuː/

(noun) atletiekschoen, spikes

Voorbeeld:

He laced up his track shoes before the race.
Hij veterde zijn atletiekschoenen voordat de race begon.

waders

/ˈweɪdərz/

(plural noun) waadpak, waadlaarzen

Voorbeeld:

He put on his waders before stepping into the river.
Hij trok zijn waadpak aan voordat hij de rivier instapte.

clog

/klɑːɡ/

(noun) klomp;

(verb) verstoppen, blokkeren

Voorbeeld:

She wore traditional Dutch clogs.
Ze droeg traditionele Nederlandse klompen.

derby

/ˈdɝː.bi/

(noun) derby, paardenrace, stadsderby

Voorbeeld:

The Kentucky Derby is one of the most famous horse races in the world.
De Kentucky Derby is een van de beroemdste paardenraces ter wereld.

flip-flop

/ˈflɪp.flɑːp/

(noun) slipper, teenslipper, draai;

(verb) draaien, van mening veranderen

Voorbeeld:

She wore flip-flops to the beach.
Ze droeg slippers naar het strand.

hiking boot

/ˈhaɪkɪŋ buːt/

(noun) wandelschoen, bergschoen

Voorbeeld:

He laced up his hiking boots before heading out on the trail.
Hij veterde zijn wandelschoenen voordat hij het pad op ging.

wellington

/ˈwel.ɪŋ.tən/

(noun) regenlaars, rubberlaars

Voorbeeld:

She put on her Wellingtons before walking through the muddy field.
Ze trok haar regenlaarzen aan voordat ze door het modderige veld liep.

anklet

/ˈæŋ.klət/

(noun) enkelband, voetband, enkelsokken

Voorbeeld:

She wore a delicate silver anklet with small charms.
Ze droeg een delicate zilveren enkelband met kleine bedeltjes.

kicks

/kɪks/

(noun) schoenen, sneakers, plezier;

(verb) schoppen, trappen, afkicken

Voorbeeld:

He got some new kicks for his birthday.
Hij kreeg nieuwe schoenen voor zijn verjaardag.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland