Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 18 - Speciale gerechten: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 18 - Speciale gerechten' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bite

/baɪt/

(verb) bijten, hap, aantasten;

(noun) beet, hap, hapje

Voorbeeld:

The dog might bite if you get too close.
De hond kan bijten als je te dichtbij komt.

buffet

/bəˈfeɪ/

(noun) buffet, buffetkast, dressoir;

(verb) beuken, treffen, rammen

Voorbeeld:

The hotel offers a breakfast buffet every morning.
Het hotel biedt elke ochtend een ontbijtbuffet aan.

cafeteria

/ˌkæf.əˈtɪr.i.ə/

(noun) kantine, cafetaria

Voorbeeld:

We usually eat lunch in the school cafeteria.
We lunchen meestal in de schoolkantine.

cereal

/ˈsɪr.i.əl/

(noun) graan, graangewas, ontbijtgranen

Voorbeeld:

Wheat is a common cereal crop.
Tarwe is een veelvoorkomend graangewas.

cookbook

/ˈkʊk.bʊk/

(noun) kookboek

Voorbeeld:

She bought a new cookbook to try out some Italian recipes.
Ze kocht een nieuw kookboek om enkele Italiaanse recepten uit te proberen.

delicious

/dɪˈlɪʃ.əs/

(adjective) heerlijk, lekker, aangenaam

Voorbeeld:

The cake was absolutely delicious.
De cake was absoluut heerlijk.

dessert

/dɪˈzɝːt/

(noun) nagerecht, dessert

Voorbeeld:

What's for dessert tonight?
Wat is er vanavond als nagerecht?

dine

/daɪn/

(verb) dineren, eten

Voorbeeld:

We decided to dine at a fancy restaurant.
We besloten te dineren in een chique restaurant.

dining room

/ˈdaɪ.nɪŋ ˌruːm/

(noun) eetkamer

Voorbeeld:

We usually eat dinner in the dining room.
We eten meestal avondeten in de eetkamer.

dish

/dɪʃ/

(noun) schaal, schotel, bord;

(verb) onthullen, verspreiden, opscheppen

Voorbeeld:

She placed the cooked vegetables on a serving dish.
Ze legde de gekookte groenten op een serveerschaal.

dishwasher

/ˈdɪʃˌwɑː.ʃɚ/

(noun) vaatwasser, afwasmachine, afwasser

Voorbeeld:

Load the dirty plates into the dishwasher.
Laad de vuile borden in de vaatwasser.

dry dishes

/draɪ ˈdɪʃɪz/

(phrase) vaat afdrogen

Voorbeeld:

I'll wash the plates if you dry dishes.
Ik was de borden af als jij de vaat afdroogt.

garlic

/ˈɡɑːr.lɪk/

(noun) knoflook

Voorbeeld:

Add two cloves of garlic to the sauce.
Voeg twee teentjes knoflook toe aan de saus.

meal

/mɪəl/

(noun) maaltijd, eten

Voorbeeld:

We had a delicious meal at the new restaurant.
We hadden een heerlijke maaltijd in het nieuwe restaurant.

plate

/pleɪt/

(noun) bord, plaat;

(verb) plateren, bekleden

Voorbeeld:

Please put your empty plate in the sink.
Leg je lege bord in de gootsteen, alsjeblieft.

pot

/pɑːt/

(noun) pot, pan, fonds;

(verb) potten, inpotten, in de pocket stoten

Voorbeeld:

She put the flowers in a beautiful clay pot.
Ze zette de bloemen in een mooie kleien pot.

prepare a meal

/prɪˈper ə miːl/

(phrase) een maaltijd bereiden, eten klaarmaken

Voorbeeld:

It takes her about an hour to prepare a meal for the whole family.
Het kost haar ongeveer een uur om een maaltijd te bereiden voor het hele gezin.

seafood

/ˈsiː.fuːd/

(noun) zeevruchten

Voorbeeld:

We had fresh seafood for dinner.
We hadden verse zeevruchten voor het avondeten.

spicy

/ˈspaɪ.si/

(adjective) pittig, gekruid, pikant

Voorbeeld:

I love eating spicy food, especially curries.
Ik eet graag pittig eten, vooral curries.

spill

/spɪl/

(verb) morsen, verspillen, uitwerpen;

(noun) morsen, vlek, val

Voorbeeld:

Be careful not to spill your drink.
Pas op dat je je drankje niet morset.

tasty

/ˈteɪ.sti/

(adjective) lekker, smakelijk

Voorbeeld:

This cake is really tasty!
Deze cake is echt lekker!

whipped cream

/wɪpt kriːm/

(noun) slagroom

Voorbeeld:

Would you like some whipped cream on your hot chocolate?
Wil je wat slagroom op je warme chocolademelk?

blend

/blend/

(verb) mengen, blenden, passen bij;

(noun) melange, mengsel

Voorbeeld:

Blend the ingredients thoroughly until smooth.
Meng de ingrediënten grondig tot een gladde massa.

clean

/kliːn/

(adjective) schoon, rein, zuiver;

(verb) schoonmaken, reinigen;

(adverb) schoon, helemaal

Voorbeeld:

Please make sure your hands are clean before dinner.
Zorg ervoor dat je handen schoon zijn voor het avondeten.

fresh

/freʃ/

(adjective) vers, fris, schoon;

(adverb) opnieuw, vers

Voorbeeld:

She bought fresh vegetables from the market.
Ze kocht verse groenten op de markt.

recipe

/ˈres.ə.pi/

(noun) recept, methode

Voorbeeld:

Can you share your recipe for chocolate cake?
Kun je je recept voor chocoladetaart delen?

spice

/spaɪs/

(noun) kruid, specerij, pit;

(verb) kruiden, op smaak brengen, opvrolijken

Voorbeeld:

Add a pinch of your favorite spice to the soup.
Voeg een snufje van je favoriete kruid toe aan de soep.

taste

/teɪst/

(noun) smaak, voorkeur;

(verb) proeven, smaken

Voorbeeld:

The soup has a delicious taste.
De soep heeft een heerlijke smaak.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland