Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 17 - Snelle levering: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 17 - Snelle levering' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

butcher's shop

/ˈbʊtʃ.ɚz ʃɑːp/

(noun) slagerij, slagerswinkel

Voorbeeld:

I need to go to the butcher's shop to buy some steaks.
Ik moet naar de slagerij om wat biefstukken te kopen.

cargo

/ˈkɑːr.ɡoʊ/

(noun) lading, vracht, goederen

Voorbeeld:

The ship was loaded with valuable cargo.
Het schip was geladen met waardevolle lading.

clinic

/ˈklɪn.ɪk/

(noun) kliniek, polikliniek, cursus

Voorbeeld:

She has an appointment at the dental clinic tomorrow.
Ze heeft morgen een afspraak bij de tandartskliniek.

crate

/kreɪt/

(noun) krat;

(verb) in een krat verpakken, inkratten

Voorbeeld:

The oranges were packed in a large wooden crate.
De sinaasappels waren verpakt in een grote houten krat.

flow

/floʊ/

(noun) stroom, vloei, flow;

(verb) stromen, vloeien

Voorbeeld:

The flow of water in the river increased after the rain.
De stroom water in de rivier nam toe na de regen.

following week

/ˈfɑː.loʊ.ɪŋ wiːk/

(phrase) de volgende week, de week daarop

Voorbeeld:

We met on Monday and agreed to speak again the following week.
We ontmoetten elkaar op maandag en spraken af om de volgende week weer te praten.

get a ticket

/ɡet ə ˈtɪk.ɪt/

(phrase) een bekeuring krijgen, een boete krijgen, een kaartje kopen

Voorbeeld:

I got a ticket for speeding on the highway.
Ik kreeg een bekeuring voor te snel rijden op de snelweg.

in storage

/ɪn ˈstɔːr.ɪdʒ/

(phrase) in de opslag, in depot

Voorbeeld:

Most of our old furniture is currently in storage.
Het meeste van ons oude meubilair staat momenteel in de opslag.

load

/loʊd/

(noun) lading, vracht, werkdruk;

(verb) laden, beladen, vullen

Voorbeeld:

The truck carried a heavy load of timber.
De vrachtwagen vervoerde een zware lading hout.

mail

/meɪl/

(noun) post, e-mail;

(verb) posten, mailen

Voorbeeld:

Did you check the mail today?
Heb je de post vandaag gecontroleerd?

museum

/mjuːˈziː.əm/

(noun) museum

Voorbeeld:

We spent the afternoon at the art museum.
We brachten de middag door in het kunstmuseum.

parcel

/ˈpɑːr.səl/

(noun) pakket, pakje, perceel;

(verb) verpakken, inpakken

Voorbeeld:

She received a large parcel in the mail.
Ze ontving een groot pakket per post.

pick up packages

/pɪk ʌp ˈpæk.ɪ.dʒɪz/

(phrase) pakketten ophalen

Voorbeeld:

I need to pick up packages from the post office before it closes.
Ik moet pakketten ophalen bij het postkantoor voordat het sluit.

pottery

/ˈpɑː.t̬ɚ.i/

(noun) aardewerk, keramiek, pottenbakken

Voorbeeld:

She collected antique pottery from various countries.
Ze verzamelde antiek aardewerk uit verschillende landen.

public park

/ˈpʌb.lɪk pɑːrk/

(noun) openbaar park

Voorbeeld:

Families often gather at the public park for picnics on weekends.
Gezinnen komen in het weekend vaak samen in het openbare park voor picknicks.

stamp

/stæmp/

(noun) postzegel, stempel, stamp;

(verb) stampen, trappen, stempelen

Voorbeeld:

I need to buy a stamp for this letter.
Ik moet een postzegel kopen voor deze brief.

van

/væn/

(noun) bestelwagen, busje, voorhoede

Voorbeeld:

The delivery driver loaded the boxes into the van.
De bezorger laadde de dozen in de bestelwagen.

venue

/ˈven.juː/

(noun) locatie, plek

Voorbeeld:

The concert venue was packed with fans.
De concertlocatie zat vol met fans.

weight

/weɪt/

(noun) gewicht, last, belang;

(verb) verzwaren, belasten

Voorbeeld:

What is the weight of this package?
Wat is het gewicht van dit pakket?

barrier

/ˈber.i.ɚ/

(noun) barrière, afscheiding, belemmering

Voorbeeld:

The police set up a barrier to control the crowd.
De politie zette een barrière op om de menigte te beheersen.

base

/beɪs/

(noun) basis, voetstuk, grondslag;

(verb) baseren, gronden;

(adjective) laag, gemeen

Voorbeeld:

The statue stood on a marble base.
Het standbeeld stond op een marmeren voetstuk.

delay

/dɪˈleɪ/

(verb) vertragen, uitstellen, aarzelen;

(noun) vertraging, uitstel

Voorbeeld:

Traffic will delay your arrival.
Verkeer zal uw aankomst vertragen.

due date

/ˈduː ˌdeɪt/

(noun) uiterste datum, vervaldatum, uitgerekende datum

Voorbeeld:

The due date for the final report is next Friday.
De uiterste datum voor het eindrapport is volgende week vrijdag.

instructor

/ɪnˈstrʌk.tɚ/

(noun) instructeur, docent

Voorbeeld:

The yoga instructor demonstrated the pose.
De yoga-instructeur demonstreerde de houding.

offload

/ˈɑːf.loʊd/

(verb) afstoten, verpatsen, lossen

Voorbeeld:

He managed to offload his old car onto a friend.
Hij slaagde erin zijn oude auto aan een vriend te verpatsen.

parking pass

/ˈpɑːrkɪŋ pæs/

(noun) parkeerkaart, parkeervergunning

Voorbeeld:

You'll need a parking pass to leave your car here overnight.
Je hebt een parkeerkaart nodig om je auto hier 's nachts te laten staan.

shipping

/ˈʃɪp.ɪŋ/

(noun) verzending, scheepvaart, zeevervoer;

(verb) verzenden, binnenlaten

Voorbeeld:

The company offers free shipping on all orders over $50.
Het bedrijf biedt gratis verzending aan voor alle bestellingen boven $50.

trade

/treɪd/

(noun) handel, ruilhandel, vak;

(verb) handelen, ruilen, uitwisselen

Voorbeeld:

International trade has increased significantly.
Internationale handel is aanzienlijk toegenomen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland