Avatar of Vocabulary Set Basis 2

Vocabulaireverzameling Basis 2 in Dag 16 - Handelsakkoord: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Basis 2' in 'Dag 16 - Handelsakkoord' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

checklist

/ˈtʃek.lɪst/

(noun) checklist, controlelijst

Voorbeeld:

Before leaving, make sure you go through the travel checklist.
Voordat je vertrekt, zorg ervoor dat je de reischecklist doorneemt.

client

/ˈklaɪ.ənt/

(noun) cliënt, klant, client

Voorbeeld:

The lawyer met with his client to discuss the case.
De advocaat ontmoette zijn cliënt om de zaak te bespreken.

communicate

/kəˈmjuː.nə.keɪt/

(verb) communiceren, overbrengen, verspreiden

Voorbeeld:

They communicate primarily through email.
Ze communiceren voornamelijk via e-mail.

exchange

/ɪksˈtʃeɪndʒ/

(noun) uitwisseling, ruil, beurs;

(verb) uitwisselen, ruilen

Voorbeeld:

We made an exchange of gifts.
We hebben een uitwisseling van cadeaus gedaan.

film studio

/ˈfɪlm ˌstuː.di.oʊ/

(noun) filmstudio

Voorbeeld:

The film studio is located in Hollywood.
De filmstudio bevindt zich in Hollywood.

journal

/ˈdʒɝː.nəl/

(noun) tijdschrift, blad, dagboek

Voorbeeld:

She publishes her research findings in a scientific journal.
Ze publiceert haar onderzoeksresultaten in een wetenschappelijk tijdschrift.

journalist

/ˈdʒɝː.nə.lɪst/

(noun) journalist

Voorbeeld:

The journalist interviewed the politician about the new policy.
De journalist interviewde de politicus over het nieuwe beleid.

magazine

/ˌmæɡ.əˈziːn/

(noun) tijdschrift, magazine, magazijn

Voorbeeld:

She subscribes to a fashion magazine.
Ze abonneert zich op een modetijdschrift.

newspaper

/ˈnuːzˌpeɪ.pɚ/

(noun) krant

Voorbeeld:

I read the newspaper every morning with my coffee.
Ik lees elke ochtend de krant bij mijn koffie.

newsstand

/ˈnuːz.stænd/

(noun) kiosk, krantenstandaard

Voorbeeld:

I bought a magazine at the newsstand.
Ik kocht een tijdschrift bij de kiosk.

parade

/pəˈreɪd/

(noun) parade, optocht, stroom;

(verb) paraderen, pronken

Voorbeeld:

The city held a grand parade to celebrate the national holiday.
De stad hield een grote parade om de nationale feestdag te vieren.

publisher

/ˈpʌb.lɪ.ʃɚ/

(noun) uitgever, uitgeverij

Voorbeeld:

The author signed a contract with a new publisher.
De auteur tekende een contract met een nieuwe uitgever.

reader

/ˈriː.dɚ/

(noun) lezer, leestoestel, leesboek

Voorbeeld:

She is an avid reader of historical novels.
Zij is een fervent lezer van historische romans.

reporter

/rɪˈpɔːr.t̬ɚ/

(noun) verslaggever, journalist

Voorbeeld:

The reporter interviewed the eyewitnesses at the scene.
De verslaggever interviewde de ooggetuigen ter plaatse.

sales trend

/seɪlz trend/

(noun) verkoopstrend, verloop van de verkoop

Voorbeeld:

The latest report shows a positive sales trend for the quarter.
Het laatste rapport laat een positieve verkoopstrend zien voor dit kwartaal.

comforting

/ˈkʌm.fɚ.t̬ɪŋ/

(adjective) troostend, geruststellend

Voorbeeld:

Her presence was very comforting during the difficult time.
Haar aanwezigheid was erg troostend tijdens de moeilijke tijd.

excellently

/ˈek.səl.ənt.li/

(adverb) uitstekend, voortreffelijk

Voorbeeld:

The team performed excellently during the championship.
Het team presteerde uitstekend tijdens het kampioenschap.

export

/ˈek.spɔːrt/

(verb) exporteren, uitvoeren;

(noun) export, uitvoerproduct

Voorbeeld:

The company plans to export its products to Europe.
Het bedrijf is van plan zijn producten naar Europa te exporteren.

former

/ˈfɔːr.mɚ/

(adjective) voormalig, oud, eerste

Voorbeeld:

The former president gave a speech.
De voormalige president hield een toespraak.

govern

/ˈɡʌv.ɚn/

(verb) regeren, besturen, leiden

Voorbeeld:

The new president will govern the country for the next four years.
De nieuwe president zal het land de komende vier jaar regeren.

government

/ˈɡʌv.ɚn.mənt/

(noun) regering, overheid, regeringsvorm

Voorbeeld:

The government announced new policies to boost the economy.
De regering kondigde nieuwe beleidsmaatregelen aan om de economie te stimuleren.

import

/ɪmˈpɔːrt/

(verb) importeren, invoeren;

(noun) import, invoer

Voorbeeld:

The company plans to import cars from Germany.
Het bedrijf is van plan auto's uit Duitsland te importeren.

politician

/ˌpɑː.ləˈtɪʃ.ən/

(noun) politicus, politica

Voorbeeld:

The politician promised to lower taxes if elected.
De politicus beloofde de belastingen te verlagen indien gekozen.

politics

/ˈpɑː.lə.tɪks/

(noun) politiek, interne politiek, machtspelletjes

Voorbeeld:

She has always been interested in politics.
Ze is altijd geïnteresseerd geweest in politiek.

shortly

/ˈʃɔːrt.li/

(adverb) binnenkort, spoedig, kortaf

Voorbeeld:

The train will arrive shortly.
De trein zal binnenkort aankomen.

start

/stɑːrt/

(noun) start, begin;

(verb) beginnen, starten, opzetten

Voorbeeld:

The race will start at 10 AM.
De race zal om 10 uur 's ochtends beginnen.

supplier

/səˈplaɪ.ɚ/

(noun) leverancier

Voorbeeld:

Our company works with multiple suppliers to get the best prices.
Ons bedrijf werkt samen met meerdere leveranciers om de beste prijzen te krijgen.

unlikely

/ʌnˈlaɪ.kli/

(adjective) onwaarschijnlijk, onwaarschijnlijke

Voorbeeld:

It's unlikely that he will arrive on time.
Het is onwaarschijnlijk dat hij op tijd zal aankomen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland