Avatar of Vocabulary Set Algemene Bouwprojecten

Vocabulaireverzameling Algemene Bouwprojecten in Bouwindustrie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Algemene Bouwprojecten' in 'Bouwindustrie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

apartment

/əˈpɑːrt.mənt/

(noun) appartement, flat

Voorbeeld:

They rented a small apartment in the city center.
Ze huurden een klein appartement in het stadscentrum.

attic

/ˈæt̬.ɪk/

(noun) zolder

Voorbeeld:

We store old furniture in the attic.
We bewaren oude meubels op de zolder.

balcony

/ˈbæl.kə.ni/

(noun) balkon, galerij

Voorbeeld:

She stepped out onto the balcony to enjoy the view.
Ze stapte het balkon op om van het uitzicht te genieten.

bathroom

/ˈbæθ.ruːm/

(noun) badkamer, toilet

Voorbeeld:

I need to use the bathroom.
Ik moet naar de badkamer.

bedroom

/ˈbed.ruːm/

(noun) slaapkamer

Voorbeeld:

My bedroom has a large window overlooking the garden.
Mijn slaapkamer heeft een groot raam met uitzicht op de tuin.

brick wall

/ˈbrɪk wɔl/

(noun) bakstenen muur, metselwerk, onoverkomelijk obstakel

Voorbeeld:

The old house had a sturdy brick wall.
Het oude huis had een stevige bakstenen muur.

building site

/ˈbɪl.dɪŋ ˌsaɪt/

(noun) bouwplaats, werf

Voorbeeld:

Safety helmets must be worn on the building site.
Veiligheidshelmen moeten gedragen worden op de bouwplaats.

carcass

/ˈkɑːr.kəs/

(noun) karkas, kadaver, wrak

Voorbeeld:

The vultures circled above the deer carcass.
De gieren cirkelden boven het karkas van het hert.

ceiling

/ˈsiː.lɪŋ/

(noun) plafond, limiet

Voorbeeld:

The room has a high ceiling.
De kamer heeft een hoog plafond.

chimney

/ˈtʃɪm.ni/

(noun) schoorsteen

Voorbeeld:

Smoke billowed from the chimney.
Rook walmde uit de schoorsteen.

concrete

/ˈkɑːn.kriːt/

(noun) beton;

(adjective) concreet, tastbaar;

(verb) betonneren

Voorbeeld:

The bridge was built with reinforced concrete.
De brug is gebouwd met gewapend beton.

condominium

/ˌkɑːn.dəˈmɪn.i.əm/

(noun) appartementencomplex, condominium

Voorbeeld:

They bought a new condominium overlooking the ocean.
Ze kochten een nieuw appartementencomplex met uitzicht op de oceaan.

cottage

/ˈkɑː.t̬ɪdʒ/

(noun) huisje, cottage

Voorbeeld:

They rented a charming cottage by the lake for their vacation.
Ze huurden een charmant huisje aan het meer voor hun vakantie.

dining room

/ˈdaɪ.nɪŋ ˌruːm/

(noun) eetkamer

Voorbeeld:

We usually eat dinner in the dining room.
We eten meestal avondeten in de eetkamer.

downstairs

/ˌdaʊnˈsterz/

(adverb) beneden, naar beneden;

(adjective) beneden, onder;

(noun) benedenverdieping

Voorbeeld:

She went downstairs to answer the door.
Ze ging naar beneden om de deur te openen.

first floor

/ˌfɜːrst ˈflɔːr/

(noun) eerste verdieping

Voorbeeld:

The office is on the first floor.
Het kantoor bevindt zich op de eerste verdieping.

floor

/flɔːr/

(noun) vloer, verdieping;

(verb) vloeren, verbijsteren

Voorbeeld:

The wooden floor creaked as he walked across it.
De houten vloer kraakte toen hij eroverheen liep.

ground floor

/ˈɡraʊnd flɔːr/

(noun) begane grond

Voorbeeld:

The reception area is on the ground floor.
De receptie bevindt zich op de begane grond.

hallway

/ˈhɑːl.weɪ/

(noun) gang, hal

Voorbeeld:

She walked down the hallway to her office.
Ze liep door de gang naar haar kantoor.

kitchen

/ˈkɪtʃ.ən/

(noun) keuken

Voorbeeld:

She spent the morning cleaning the kitchen.
Ze bracht de ochtend door met het schoonmaken van de keuken.

living room

/ˈlɪv.ɪŋ ˌruːm/

(noun) woonkamer, zitkamer

Voorbeeld:

We spent the evening relaxing in the living room.
We brachten de avond ontspannend door in de woonkamer.

penthouse

/ˈpent.haʊs/

(noun) penthouse

Voorbeeld:

They bought a luxurious penthouse with panoramic city views.
Ze kochten een luxueuze penthouse met panoramisch uitzicht over de stad.

porch

/pɔːrtʃ/

(noun) veranda, portiek, galerij

Voorbeeld:

We sat on the porch and watched the sunset.
We zaten op de veranda en keken naar de zonsondergang.

residence

/ˈrez.ə.dəns/

(noun) residentie, woonplaats, verblijfplaats

Voorbeeld:

The President's official residence is the White House.
De officiële residentie van de president is het Witte Huis.

shutter

/ˈʃʌt̬.ɚ/

(noun) sluiter, luik;

(verb) sluiten, stopzetten

Voorbeeld:

The photographer adjusted the camera's shutter speed.
De fotograaf paste de sluitersnelheid van de camera aan.

stair

/ster/

(noun) trap, trede

Voorbeeld:

She slowly climbed the stairs to her apartment.
Ze klom langzaam de trap op naar haar appartement.

terraced house

/ˈter.əst ˌhaʊs/

(noun) rijtjeshuis

Voorbeeld:

They bought a charming old terraced house in the city center.
Ze kochten een charmant oud rijtjeshuis in het stadscentrum.

wall

/wɑːl/

(noun) muur, wand;

(verb) ommuuren, afsluiten met een muur

Voorbeeld:

The garden is surrounded by a high brick wall.
De tuin is omgeven door een hoge bakstenen muur.

window

/ˈwɪn.doʊ/

(noun) raam, venster, tijdvenster;

(verb) van ramen voorzien, ramen plaatsen

Voorbeeld:

She looked out the window at the rain.
Ze keek uit het raam naar de regen.

yard

/jɑːrd/

(noun) yard, tuin, erf

Voorbeeld:

The fabric is three yards long.
De stof is drie yard lang.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland