Avatar of Vocabulary Set Bouwmaterialen

Vocabulaireverzameling Bouwmaterialen in Bouwindustrie: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Bouwmaterialen' in 'Bouwindustrie' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

alkali

/ˈæl.kəl.aɪ/

(noun) alkali, base

Voorbeeld:

Sodium hydroxide is a strong alkali.
Natriumhydroxide is een sterke alkali.

aluminum

/əˈluː.mə.nəm/

(noun) aluminium

Voorbeeld:

Most soda cans are made of aluminum.
De meeste frisdrankblikjes zijn gemaakt van aluminium.

arenaceous

/ˌær.ɪˈneɪ.ʃəs/

(adjective) zandig, zandhoudend

Voorbeeld:

The desert landscape was predominantly arenaceous.
Het woestijnlandschap was overwegend zandig.

ashlar

/ˈæʃ.lər/

(noun) gehouwen steen, bloksteen

Voorbeeld:

The ancient temple was constructed with perfectly cut ashlar blocks.
De oude tempel werd gebouwd met perfect gesneden gehouwen steen blokken.

brick

/brɪk/

(noun) baksteen, bouwsteen, speelgoedblok;

(verb) bricken, onbruikbaar maken

Voorbeeld:

The house was built with red bricks.
Het huis is gebouwd met rode bakstenen.

brick wall

/ˈbrɪk wɔl/

(noun) bakstenen muur, metselwerk, onoverkomelijk obstakel

Voorbeeld:

The old house had a sturdy brick wall.
Het oude huis had een stevige bakstenen muur.

cobble

/ˈkɑː.bəl/

(verb) in elkaar flansen, samenrapen, schoenen maken;

(noun) kinderkopje, kei

Voorbeeld:

They had to cobble together a makeshift shelter from branches and leaves.
Ze moesten een geïmproviseerde schuilplaats in elkaar flansen van takken en bladeren.

concrete

/ˈkɑːn.kriːt/

(noun) beton;

(adjective) concreet, tastbaar;

(verb) betonneren

Voorbeeld:

The bridge was built with reinforced concrete.
De brug is gebouwd met gewapend beton.

duct

/dʌkt/

(noun) kanaal, buis;

(verb) leiden, geleiden

Voorbeeld:

The air conditioning ducts need to be cleaned.
De luchtbehandelingskanalen moeten worden gereinigd.

gravel

/ˈɡræv.əl/

(noun) grind, kiezel;

(verb) bestrooien met grind, grinden

Voorbeeld:

The driveway was covered with fresh gravel.
De oprit was bedekt met vers grind.

iron

/aɪrn/

(noun) ijzer, strijkijzer;

(verb) strijken;

(adjective) ijzeren

Voorbeeld:

The bridge was built with steel and iron.
De brug werd gebouwd met staal en ijzer.

mud

/mʌd/

(noun) modder, slijk;

(verb) modderen, besmeuren met modder

Voorbeeld:

The car got stuck in the deep mud.
De auto kwam vast te zitten in de diepe modder.

rock

/rɑːk/

(noun) rots, steen, rock;

(verb) wiegen, schommelen, schokken

Voorbeeld:

The mountain was made of solid rock.
De berg was gemaakt van massief rots.

rubble

/ˈrʌb.əl/

(noun) puin, brokstukken

Voorbeeld:

The earthquake left the city in rubble.
De aardbeving liet de stad in puin achter.

soil

/sɔɪl/

(noun) grond, aarde;

(verb) bevuilen, vervuilen

Voorbeeld:

The farmer prepared the soil for planting.
De boer bereidde de grond voor het planten voor.

stainless steel

/ˌsteɪn.ləs ˈstiːl/

(noun) roestvrij staal;

(adjective) roestvrijstalen

Voorbeeld:

Many kitchen appliances are made of stainless steel.
Veel keukenapparatuur is gemaakt van roestvrij staal.

steel

/stiːl/

(noun) staal;

(verb) harden, versterken

Voorbeeld:

The bridge was constructed with high-strength steel.
De brug is gebouwd met hoogwaardig staal.

stone

/stoʊn/

(noun) steen, pit;

(verb) ontpitten, ontstenen

Voorbeeld:

He threw a stone into the lake.
Hij gooide een steen in het meer.

wood

/wʊd/

(noun) hout, bos, woud

Voorbeeld:

The house was built of stone and wood.
Het huis was gebouwd van steen en hout.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland