Avatar of Vocabulary Set Eten en drinken

Vocabulaireverzameling Eten en drinken in Algemene IELTS-woordenschat (band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eten en drinken' in 'Algemene IELTS-woordenschat (band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

leftovers

/ˈleft.oʊ.vərz/

(plural noun) restjes, overblijfselen, restanten

Voorbeeld:

We had leftovers for lunch the next day.
We hadden de volgende dag restjes voor de lunch.

cuisine

/kwɪˈziːn/

(noun) keuken, kookkunst

Voorbeeld:

French cuisine is known for its rich sauces and delicate pastries.
De Franse keuken staat bekend om zijn rijke sauzen en delicate gebakjes.

appetite

/ˈæp.ə.taɪt/

(noun) eetlust, trek, verlangen

Voorbeeld:

He has a healthy appetite after his morning run.
Hij heeft een gezonde eetlust na zijn ochtendloop.

seafood

/ˈsiː.fuːd/

(noun) zeevruchten

Voorbeeld:

We had fresh seafood for dinner.
We hadden verse zeevruchten voor het avondeten.

nut

/nʌt/

(noun) noot, moer, gek;

(verb) inbeuken, koppen

Voorbeeld:

Squirrels bury nuts for the winter.
Eekhoorns begraven noten voor de winter.

herb

/ɝːb/

(noun) kruid

Voorbeeld:

Fresh herbs like basil and parsley add flavor to the dish.
Verse kruiden zoals basilicum en peterselie voegen smaak toe aan het gerecht.

bakery

/ˈbeɪ.kɚ.i/

(noun) bakkerij

Voorbeeld:

I bought fresh bread from the bakery.
Ik kocht vers brood bij de bakkerij.

dessert

/dɪˈzɝːt/

(noun) nagerecht, dessert

Voorbeeld:

What's for dessert tonight?
Wat is er vanavond als nagerecht?

seasoning

/ˈsiː.zən.ɪŋ/

(noun) kruiden, specerijen, smaakmakers

Voorbeeld:

Add some seasoning to the soup for more flavor.
Voeg wat kruiden toe aan de soep voor meer smaak.

dairy

/ˈder.i/

(noun) zuivelfabriek, melkbedrijf;

(adjective) zuivel, melk-

Voorbeeld:

The fresh milk is delivered daily to the dairy.
De verse melk wordt dagelijks geleverd aan de zuivelfabriek.

caffeine

/ˈkæf.iːn/

(noun) cafeïne

Voorbeeld:

Coffee contains a high amount of caffeine.
Koffie bevat een hoge hoeveelheid cafeïne.

pasta

/ˈpɑː.stə/

(noun) pasta, deegwaren

Voorbeeld:

I'm making spaghetti pasta for dinner tonight.
Ik maak vanavond spaghetti pasta voor het avondeten.

vegan

/ˈviː.ɡən/

(noun) veganist;

(adjective) veganistisch

Voorbeeld:

My sister became a vegan last year and feels much healthier.
Mijn zus werd vorig jaar veganist en voelt zich veel gezonder.

flour

/ˈflaʊ.ɚ/

(noun) bloem, meel;

(verb) bestuiven met bloem, bebloemen

Voorbeeld:

She added two cups of flour to the mixing bowl.
Ze voegde twee kopjes bloem toe aan de mengkom.

snack

/snæk/

(noun) snack, tussendoortje;

(verb) snacken, tussendoor eten

Voorbeeld:

I usually have a fruit for my afternoon snack.
Ik eet meestal fruit als mijn middagsnack.

organic

/ɔːrˈɡæn.ɪk/

(adjective) biologisch, organisch, natuurlijk

Voorbeeld:

We only buy organic vegetables.
Wij kopen alleen biologische groenten.

raw

/rɑː/

(adjective) rauw, ongekookt, ruw;

(noun) schaafwond, rauwe plek

Voorbeeld:

She prefers to eat raw vegetables.
Ze eet het liefst rauwe groenten.

fresh

/freʃ/

(adjective) vers, fris, schoon;

(adverb) opnieuw, vers

Voorbeeld:

She bought fresh vegetables from the market.
Ze kocht verse groenten op de markt.

juicy

/ˈdʒuː.si/

(adjective) sappig, pikant

Voorbeeld:

The orange was incredibly juicy and sweet.
De sinaasappel was ongelooflijk sappig en zoet.

rich

/rɪtʃ/

(adjective) rijk, welvarend, vol;

(noun) de rijken, welgestelden

Voorbeeld:

He became rich after investing in technology stocks.
Hij werd rijk na het investeren in technologiestocks.

nutritious

/nuːˈtrɪʃ.əs/

(adjective) voedzaam, voedingsrijk

Voorbeeld:

This meal is both delicious and nutritious.
Deze maaltijd is zowel lekker als voedzaam.

ripe

/raɪp/

(adjective) rijp, geschikt

Voorbeeld:

The bananas are perfectly ripe for eating.
De bananen zijn perfect rijp om te eten.

unripe

/ʌnˈraɪp/

(adjective) onrijp

Voorbeeld:

The bananas are still unripe and green.
De bananen zijn nog onrijp en groen.

seasoned

/ˈsiː.zənd/

(adjective) ervaren, geroutineerd, gekruid

Voorbeeld:

She is a seasoned traveler who has visited over 50 countries.
Zij is een ervaren reiziger die meer dan 50 landen heeft bezocht.

homemade

/ˌhoʊmˈmeɪd/

(adjective) zelfgemaakt, huisgemaakt

Voorbeeld:

She brought a delicious homemade cake to the party.
Ze bracht een heerlijke zelfgemaakte cake mee naar het feest.

edible

/ˈed.ə.bəl/

(adjective) eetbaar;

(noun) eetwaren, voedingsmiddelen

Voorbeeld:

These mushrooms are edible.
Deze paddenstoelen zijn eetbaar.

tender

/ˈten.dɚ/

(adjective) mals, zacht, gevoelig;

(noun) offerte, aanbesteding, sloep;

(verb) aanbieden, indienen

Voorbeeld:

The steak was perfectly cooked and very tender.
De biefstuk was perfect gebakken en erg mals.

strong

/strɑːŋ/

(adjective) sterk, krachtig, stevig

Voorbeeld:

He is a very strong man.
Hij is een zeer sterke man.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland