Avatar of Vocabulary Set Weer

Vocabulaireverzameling Weer in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Weer' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

rain

/reɪn/

(noun) regen;

(verb) regenen

Voorbeeld:

The rain started pouring just as we left.
De regen begon te stromen net toen we vertrokken.

snow

/snoʊ/

(noun) sneeuw;

(verb) sneeuwen

Voorbeeld:

The children were excited to see the first snow of the winter.
De kinderen waren opgewonden om de eerste sneeuw van de winter te zien.

storm

/stɔːrm/

(noun) storm, onweer, uitbarsting;

(verb) stormen, bestormen, aanvallen

Voorbeeld:

A severe storm hit the coast, causing widespread damage.
Een zware storm trof de kust, wat wijdverspreide schade veroorzaakte.

cloud

/klaʊd/

(noun) wolk, schaduw, probleem;

(verb) vertroebelen, verduisteren

Voorbeeld:

The sky was filled with white, fluffy clouds.
De lucht was gevuld met witte, pluizige wolken.

temperature

/ˈtem.pɚ.ə.tʃɚ/

(noun) temperatuur, koorts

Voorbeeld:

The room temperature is 25 degrees Celsius.
De kamertemperatuur is 25 graden Celsius.

humidity

/hjuːˈmɪd.ə.t̬i/

(noun) vochtigheid, luchtvochtigheid

Voorbeeld:

The high humidity made the summer day feel even hotter.
De hoge vochtigheid deed de zomerdag nog heter aanvoelen.

fog

/fɑːɡ/

(noun) mist, verwarring;

(verb) beslaan, vertroebelen, verward raken

Voorbeeld:

The dense fog made driving very difficult.
De dichte mist maakte het rijden erg moeilijk.

thunder

/ˈθʌn.dɚ/

(noun) donder;

(verb) donderen, bulderen

Voorbeeld:

We heard a loud clap of thunder in the distance.
We hoorden een luide klap donder in de verte.

lightning

/ˈlaɪt.nɪŋ/

(noun) bliksem;

(adjective) bliksemsnel, razendsnel

Voorbeeld:

The sky was lit up by a sudden flash of lightning.
De lucht werd verlicht door een plotselinge flits van bliksem.

rainbow

/ˈreɪn.boʊ/

(noun) regenboog, scala, verscheidenheid

Voorbeeld:

After the storm, a beautiful rainbow appeared in the sky.
Na de storm verscheen er een prachtige regenboog aan de hemel.

warmth

/wɔːrmθ/

(noun) warmte, enthousiasme, genegenheid

Voorbeeld:

She felt the warmth of the sun on her face.
Ze voelde de warmte van de zon op haar gezicht.

cold

/koʊld/

(adjective) koud, afstandelijk, ongevoelig;

(noun) verkoudheid

Voorbeeld:

It's cold outside, so wear a jacket.
Het is koud buiten, dus draag een jas.

climate

/ˈklaɪ.mət/

(noun) klimaat, sfeer

Voorbeeld:

The desert has a hot, dry climate.
De woestijn heeft een heet, droog klimaat.

season

/ˈsiː.zən/

(noun) seizoen, jaargetijde;

(verb) kruiden, op smaak brengen

Voorbeeld:

Autumn is my favorite season.
De herfst is mijn favoriete seizoen.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland