Avatar of Vocabulary Set Architectuur

Vocabulaireverzameling Architectuur in IELTS Academische Woordenschat (Band 5): Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Architectuur' in 'IELTS Academische Woordenschat (Band 5)' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

blueprint

/ˈbluː.prɪnt/

(noun) blauwdruk, bouwplan, model;

(verb) blauwdrukken, ontwerpen

Voorbeeld:

The architect presented the blueprint for the new building.
De architect presenteerde de blauwdruk voor het nieuwe gebouw.

structure

/ˈstrʌk.tʃɚ/

(noun) structuur, opbouw, bouwwerk;

(verb) structureren, opbouwen

Voorbeeld:

The structure of the human body is incredibly complex.
De structuur van het menselijk lichaam is ongelooflijk complex.

plan

/plæn/

(noun) plan, ontwerp, plattegrond;

(verb) plannen, organiseren

Voorbeeld:

We need a solid plan to finish this project on time.
We hebben een solide plan nodig om dit project op tijd af te krijgen.

foundation

/faʊnˈdeɪ.ʃən/

(noun) fundering, basis, grondslag

Voorbeeld:

The house has a strong concrete foundation.
Het huis heeft een sterke betonnen fundering.

material

/məˈtɪr.i.əl/

(noun) materiaal, stof, informatie;

(adjective) materieel, stoffelijk

Voorbeeld:

The dress was made of a soft, flowing material.
De jurk was gemaakt van een zachte, vloeiende stof.

ceiling

/ˈsiː.lɪŋ/

(noun) plafond, limiet

Voorbeeld:

The room has a high ceiling.
De kamer heeft een hoog plafond.

roof

/ruːf/

(noun) dak;

(verb) bedekken met een dak, daken

Voorbeeld:

The heavy snow caused the roof to collapse.
De zware sneeuwval zorgde ervoor dat het dak instortte.

exit

/ˈek.sɪt/

(noun) uitgang, uitrit, vertrek;

(verb) verlaten, uitgaan

Voorbeeld:

Please use the nearest exit in case of emergency.
Gebruik alstublieft de dichtstbijzijnde uitgang in geval van nood.

staircase

/ˈster.keɪs/

(noun) trap, trappenhuis

Voorbeeld:

The grand staircase led up to the ballroom.
De grote trap leidde naar de balzaal.

hallway

/ˈhɑːl.weɪ/

(noun) gang, hal

Voorbeeld:

She walked down the hallway to her office.
Ze liep door de gang naar haar kantoor.

tower

/ˈtaʊ.ɚ/

(noun) toren;

(verb) uittorenen boven, bovenuit steken

Voorbeeld:

The Eiffel Tower is a famous landmark in Paris.
De Eiffeltoren is een beroemd herkenningspunt in Parijs.

construction

/kənˈstrʌk.ʃən/

(noun) constructie, bouw, bouwwerk

Voorbeeld:

The construction of the new bridge will take two years.
De constructie van de nieuwe brug zal twee jaar duren.

landscaping

/ˈlænd.skeɪ.pɪŋ/

(noun) landschapsarchitectuur, tuinaanleg

Voorbeeld:

The new park features beautiful landscaping with native plants.
Het nieuwe park heeft prachtige landschapsarchitectuur met inheemse planten.

column

/ˈkɑː.ləm/

(noun) kolom, zuil, pilaar

Voorbeeld:

The data is organized into three columns.
De gegevens zijn georganiseerd in drie kolommen.

entrance

/ˈen.trəns/

(noun) ingang, toegang, entree;

(verb) betoveren, fascineren

Voorbeeld:

The main entrance to the building is on the north side.
De hoofdingang van het gebouw bevindt zich aan de noordzijde.

perspective

/pɚˈspek.tɪv/

(noun) perspectief, standpunt, dieptewerking

Voorbeeld:

Her unique perspective on the issue offered new insights.
Haar unieke perspectief op de kwestie bood nieuwe inzichten.

fence

/fens/

(noun) hek, omheining, heler;

(verb) omheinen, afzetten, schermen

Voorbeeld:

The farmer built a new fence around his pasture.
De boer bouwde een nieuw hek rond zijn weide.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland