Vocabulaireverzameling 201-250 in 600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling '201-250' in '600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) volwassene;
(adjective) volwassen, rijp
Voorbeeld:
(adjective) diverse, verschillende, allerlei
Voorbeeld:
(verb) verbeteren, vergroten, versterken
Voorbeeld:
(verb) inschrijven, aanmelden
Voorbeeld:
(noun) meester, heer, beheerser;
(verb) beheersen, onder de knie krijgen, overwinnen;
(adjective) meesterlijk, deskundig
Voorbeeld:
(adjective) hernieuwbaar, vernieuwbaar, verlengbaar
Voorbeeld:
(noun) afhankelijkheid, vertrouwen
Voorbeeld:
(noun) fossiele brandstof
Voorbeeld:
(verb) adopteren, aannemen, overnemen
Voorbeeld:
(verb) verlichten, verzachten, verminderen
Voorbeeld:
(verb) overladen, overbelasten, overstelpen;
(noun) overbelasting, overdaad
Voorbeeld:
(noun) faciliteit, voorziening, aanleg
Voorbeeld:
(noun) landbouw, agrarische sector
Voorbeeld:
(noun) infrastructuur
Voorbeeld:
(noun) overbevolking
Voorbeeld:
(verb) toenemen, vergroten, stijgen;
(noun) toename, stijging, verhoging
Voorbeeld:
(noun) opstopping, congestie, verstopping
Voorbeeld:
(verb) uitrusten, voorzien, bekwamen
Voorbeeld:
(adjective) gevorderd, geavanceerd, hoger niveau
Voorbeeld:
(noun) sensor, voeler
Voorbeeld:
(noun) operatie, ingreep, werking
Voorbeeld:
(noun) noodgeval, spoedgeval;
(adjective) nood, spoed
Voorbeeld:
(noun) algoritme
Voorbeeld:
(noun) bevel, opdracht, beheersing;
(verb) bevelen, gebieden, bevel voeren over
Voorbeeld:
(noun) obstakel, hindernis, barrière
Voorbeeld:
(noun) chemische stof, chemisch product;
(adjective) chemisch
Voorbeeld:
(noun) sector, gebied, cirkelsector
Voorbeeld:
(noun) installatie, montage, installatiekunst
Voorbeeld:
(noun) uitgaven, besteding;
(verb) uitgeven, doorbrengen
Voorbeeld:
(adjective) zwaar, intens, diep;
(adverb) hevig, zwaar
Voorbeeld:
(adjective) landelijk, ruraal
Voorbeeld:
(adjective) levendig, energiek, bruisend;
(adverb) levendig, energiek
Voorbeeld:
(adjective) ruim, spacieus
Voorbeeld:
(noun) bijeenkomst, vergadering, samenkomst
Voorbeeld:
(noun) generator, stroomgenerator, schepper
Voorbeeld:
(verb) plegen, begaan, verbinden
Voorbeeld:
(noun) verlangen, wens, begeerte;
(verb) verlangen, wensen, begeerte hebben
Voorbeeld:
(adjective) recreatief
Voorbeeld:
(adjective) industrieel, voor de industrie
Voorbeeld:
(noun) monitor, beeldscherm, varaan;
(verb) monitoren, bewaken
Voorbeeld:
(noun) locatie, plek, locatiebepaling
Voorbeeld:
(noun) beweging, deel
Voorbeeld:
(noun) aanwinst, troef, activa
Voorbeeld:
(noun) interpretatie, uitleg, uitvoering
Voorbeeld:
(adjective) alternatief, ander;
(noun) alternatief, keuze
Voorbeeld:
(noun) regio, gebied, streek
Voorbeeld:
(preposition) ondanks
Voorbeeld:
(adjective) consistent, consequent, gelijkmatig
Voorbeeld:
(adjective) wegwerp, eenmalig, beschikbaar
Voorbeeld: