Avatar of Vocabulary Set 201-250

Vocabulaireverzameling 201-250 in 600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling '201-250' in '600 WOORDEN DIE NAUWKEURIG ZIJN AAN LEERBOEKEN' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

adult

/ˈæd.ʌlt/

(noun) volwassene;

(adjective) volwassen, rijp

Voorbeeld:

Children must be accompanied by an adult.
Kinderen moeten worden begeleid door een volwassene.

various

/ˈver.i.əs/

(adjective) diverse, verschillende, allerlei

Voorbeeld:

There are various reasons for his decision.
Er zijn diverse redenen voor zijn beslissing.

enhance

/ɪnˈhæns/

(verb) verbeteren, vergroten, versterken

Voorbeeld:

The new lighting system will enhance the beauty of the park.
Het nieuwe verlichtingssysteem zal de schoonheid van het park verbeteren.

enrol

/ɪnˈroʊl/

(verb) inschrijven, aanmelden

Voorbeeld:

She decided to enrol in a photography class.
Ze besloot zich in te schrijven voor een fotografiecursus.

master

/ˈmæs.tɚ/

(noun) meester, heer, beheerser;

(verb) beheersen, onder de knie krijgen, overwinnen;

(adjective) meesterlijk, deskundig

Voorbeeld:

The master of the house greeted his guests.
De meester van het huis begroette zijn gasten.

renewable

/rɪˈnuː.ə.bəl/

(adjective) hernieuwbaar, vernieuwbaar, verlengbaar

Voorbeeld:

Solar energy is a renewable resource.
Zonne-energie is een hernieuwbare bron.

reliance

/rɪˈlaɪ.əns/

(noun) afhankelijkheid, vertrouwen

Voorbeeld:

The company's reliance on a single supplier proved to be a risk.
De afhankelijkheid van het bedrijf van één leverancier bleek een risico te zijn.

fossil fuel

/ˈfɑː.səl ˌfjuː.əl/

(noun) fossiele brandstof

Voorbeeld:

Burning fossil fuels releases carbon dioxide into the atmosphere.
Het verbranden van fossiele brandstoffen stoot kooldioxide uit in de atmosfeer.

adopt

/əˈdɑːpt/

(verb) adopteren, aannemen, overnemen

Voorbeeld:

They decided to adopt a child from the orphanage.
Ze besloten een kind uit het weeshuis te adopteren.

alleviate

/əˈliː.vi.eɪt/

(verb) verlichten, verzachten, verminderen

Voorbeeld:

The doctor prescribed medication to alleviate the pain.
De dokter schreef medicatie voor om de pijn te verlichten.

overload

/ˌoʊ.vɚˈloʊd/

(verb) overladen, overbelasten, overstelpen;

(noun) overbelasting, overdaad

Voorbeeld:

Don't overload the washing machine, or it won't clean properly.
Overlaad de wasmachine niet, anders wast hij niet goed.

facility

/fəˈsɪl.ə.t̬i/

(noun) faciliteit, voorziening, aanleg

Voorbeeld:

The hotel has excellent leisure facilities, including a swimming pool and gym.
Het hotel heeft uitstekende recreatieve faciliteiten, waaronder een zwembad en een fitnessruimte.

agriculture

/ˈæɡ.rə.kʌl.tʃɚ/

(noun) landbouw, agrarische sector

Voorbeeld:

Modern agriculture relies heavily on technology.
Moderne landbouw is sterk afhankelijk van technologie.

infrastructure

/ˈɪn.frəˌstrʌk.tʃɚ/

(noun) infrastructuur

Voorbeeld:

The country's aging infrastructure needs significant investment.
De verouderende infrastructuur van het land heeft aanzienlijke investeringen nodig.

overpopulation

/ˌoʊ.vɚˌpɑː.pjəˈleɪ.ʃən/

(noun) overbevolking

Voorbeeld:

Overpopulation is a major concern for the planet's future.
Overbevolking is een grote zorg voor de toekomst van de planeet.

increase

/ɪnˈkriːs/

(verb) toenemen, vergroten, stijgen;

(noun) toename, stijging, verhoging

Voorbeeld:

The population of the city continues to increase.
De bevolking van de stad blijft toenemen.

congestion

/kənˈdʒes.tʃən/

(noun) opstopping, congestie, verstopping

Voorbeeld:

Traffic congestion is a major problem in big cities.
Verkeersopstoppingen zijn een groot probleem in grote steden.

equip

/ɪˈkwɪp/

(verb) uitrusten, voorzien, bekwamen

Voorbeeld:

The school will equip all students with laptops.
De school zal alle studenten uitrusten met laptops.

advanced

/ədˈvænst/

(adjective) gevorderd, geavanceerd, hoger niveau

Voorbeeld:

She is studying advanced mathematics.
Ze studeert gevorderde wiskunde.

sensor

/ˈsen.sɚ/

(noun) sensor, voeler

Voorbeeld:

The car has a parking sensor that beeps when you get too close to an object.
De auto heeft een parkeersensor die piept als je te dicht bij een object komt.

operation

/ˌɑː.pəˈreɪ.ʃən/

(noun) operatie, ingreep, werking

Voorbeeld:

The patient underwent a successful heart operation.
De patiënt onderging een succesvolle hartoperatie.

emergency

/ɪˈmɝː.dʒən.si/

(noun) noodgeval, spoedgeval;

(adjective) nood, spoed

Voorbeeld:

Call 911 in case of an emergency.
Bel 112 in geval van nood.

algorithm

/ˈæl.ɡə.rɪ.ðəm/

(noun) algoritme

Voorbeeld:

The search engine uses a complex algorithm to rank websites.
De zoekmachine gebruikt een complex algoritme om websites te rangschikken.

command

/kəˈmænd/

(noun) bevel, opdracht, beheersing;

(verb) bevelen, gebieden, bevel voeren over

Voorbeeld:

The officer gave a clear command to his troops.
De officier gaf een duidelijk bevel aan zijn troepen.

obstacle

/ˈɑːb.stə.kəl/

(noun) obstakel, hindernis, barrière

Voorbeeld:

The fallen tree was an obstacle in our path.
De omgevallen boom was een obstakel op ons pad.

chemical

/ˈkem.ɪ.kəl/

(noun) chemische stof, chemisch product;

(adjective) chemisch

Voorbeeld:

The factory produces various industrial chemicals.
De fabriek produceert verschillende industriële chemicaliën.

sector

/ˈsek.tɚ/

(noun) sector, gebied, cirkelsector

Voorbeeld:

The technology sector has seen rapid growth.
De technologiesector heeft een snelle groei doorgemaakt.

installation

/ˌɪn.stəˈleɪ.ʃən/

(noun) installatie, montage, installatiekunst

Voorbeeld:

The installation of the new software took several hours.
De installatie van de nieuwe software duurde enkele uren.

spending

/ˈspen.dɪŋ/

(noun) uitgaven, besteding;

(verb) uitgeven, doorbrengen

Voorbeeld:

Government spending on education has increased.
De overheidsuitgaven aan onderwijs zijn toegenomen.

heavy

/ˈhev.i/

(adjective) zwaar, intens, diep;

(adverb) hevig, zwaar

Voorbeeld:

The box was too heavy for him to lift alone.
De doos was te zwaar voor hem om alleen op te tillen.

rural

/ˈrʊr.əl/

(adjective) landelijk, ruraal

Voorbeeld:

She grew up in a small rural village.
Ze groeide op in een klein landelijk dorp.

lively

/ˈlaɪv.li/

(adjective) levendig, energiek, bruisend;

(adverb) levendig, energiek

Voorbeeld:

She has a very lively personality.
Ze heeft een erg levendige persoonlijkheid.

spacious

/ˈspeɪ.ʃəs/

(adjective) ruim, spacieus

Voorbeeld:

The living room was very spacious, perfect for entertaining guests.
De woonkamer was erg ruim, perfect voor het ontvangen van gasten.

assembly

/əˈsem.bli/

(noun) bijeenkomst, vergadering, samenkomst

Voorbeeld:

The school held a special assembly for the graduating students.
De school hield een speciale bijeenkomst voor de afstuderende studenten.

generator

/ˈdʒen.ər.eɪ.t̬ɚ/

(noun) generator, stroomgenerator, schepper

Voorbeeld:

The power went out, so we had to start the generator.
De stroom viel uit, dus moesten we de generator starten.

commit

/kəˈmɪt/

(verb) plegen, begaan, verbinden

Voorbeeld:

He was arrested for attempting to commit fraud.
Hij werd gearresteerd wegens poging tot het plegen van fraude.

desire

/dɪˈzaɪr/

(noun) verlangen, wens, begeerte;

(verb) verlangen, wensen, begeerte hebben

Voorbeeld:

He expressed a strong desire to travel the world.
Hij uitte een sterk verlangen om de wereld rond te reizen.

recreational

/ˌrek.riˈeɪ.ʃən.əl/

(adjective) recreatief

Voorbeeld:

He enjoys recreational fishing on weekends.
Hij geniet in het weekend van recreatief vissen.

industrial

/ɪnˈdʌs.tri.əl/

(adjective) industrieel, voor de industrie

Voorbeeld:

The city has a strong industrial base.
De stad heeft een sterke industriële basis.

monitor

/ˈmɑː.nə.t̬ɚ/

(noun) monitor, beeldscherm, varaan;

(verb) monitoren, bewaken

Voorbeeld:

The nurse checked the patient's vital signs on the monitor.
De verpleegster controleerde de vitale functies van de patiënt op de monitor.

location

/loʊˈkeɪ.ʃən/

(noun) locatie, plek, locatiebepaling

Voorbeeld:

The restaurant has a great location overlooking the sea.
Het restaurant heeft een geweldige locatie met uitzicht op zee.

movement

/ˈmuːv.mənt/

(noun) beweging, deel

Voorbeeld:

The dancer's graceful movement captivated the audience.
De gracieuze beweging van de danser boeide het publiek.

asset

/ˈæs.et/

(noun) aanwinst, troef, activa

Voorbeeld:

Her experience is a great asset to the team.
Haar ervaring is een grote aanwinst voor het team.

interpretation

/ɪnˌtɝː.prəˈteɪ.ʃən/

(noun) interpretatie, uitleg, uitvoering

Voorbeeld:

His interpretation of the poem was very insightful.
Zijn interpretatie van het gedicht was zeer inzichtelijk.

tracker

/ˈtræk.ɚ/

alternative

/ɑːlˈtɝː.nə.t̬ɪv/

(adjective) alternatief, ander;

(noun) alternatief, keuze

Voorbeeld:

Do you have an alternative solution?
Heb je een alternatieve oplossing?

region

/ˈriː.dʒən/

(noun) regio, gebied, streek

Voorbeeld:

The Amazon region is known for its biodiversity.
Het Amazonegebied staat bekend om zijn biodiversiteit.

despite

/dɪˈspaɪt/

(preposition) ondanks

Voorbeeld:

She succeeded despite the many challenges.
Ze slaagde ondanks de vele uitdagingen.

consistent

/kənˈsɪs.tənt/

(adjective) consistent, consequent, gelijkmatig

Voorbeeld:

Her performance has been consistent throughout the season.
Haar prestaties zijn het hele seizoen consistent geweest.

disposable

/dɪˈspoʊ.zə.bəl/

(adjective) wegwerp, eenmalig, beschikbaar

Voorbeeld:

We use disposable plates for the picnic.
We gebruiken wegwerpborden voor de picknick.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland