Avatar of Vocabulary Set Eenheid 7: Verkeer

Vocabulaireverzameling Eenheid 7: Verkeer in Graad 7: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 7: Verkeer' in 'Graad 7' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

cycle

/ˈsaɪ.kəl/

(noun) cyclus, kringloop, fiets;

(verb) fietsen, cyclen, doorlopen

Voorbeeld:

The water cycle is essential for life on Earth.
De watercyclus is essentieel voor het leven op Aarde.

traffic jam

/ˈtræf.ɪk ˌdʒæm/

(noun) file, verkeersopstopping

Voorbeeld:

I was stuck in a huge traffic jam for an hour.
Ik zat een uur vast in een enorme file.

park

/pɑːrk/

(noun) park, reservaat;

(verb) parkeren

Voorbeeld:

Let's go for a walk in the park.
Laten we een wandeling maken in het park.

pavement

/ˈpeɪv.mənt/

(noun) stoep, plaveisel

Voorbeeld:

The children were playing on the pavement.
De kinderen speelden op de stoep.

railway station

/ˈreɪl.weɪ ˌsteɪ.ʃən/

(noun) treinstation, spoorwegstation

Voorbeeld:

We met at the railway station before boarding the train.
We ontmoetten elkaar op het treinstation voordat we de trein instapten.

safely

/ˈseɪf.li/

(adverb) veilig, beveiligd

Voorbeeld:

Please drive safely.
Rijd alstublieft veilig.

safety

/ˈseɪf.ti/

(noun) veiligheid, beveiliging

Voorbeeld:

The children's safety is our top priority.
De veiligheid van de kinderen is onze topprioriteit.

seat belt

/ˈsiːt belt/

(noun) veiligheidsgordel, autoband

Voorbeeld:

Always fasten your seat belt before driving.
Maak altijd je veiligheidsgordel vast voordat je gaat rijden.

train

/treɪn/

(noun) trein, sleep;

(verb) trainen, opleiden, oefenen

Voorbeeld:

The train arrived at the station on time.
De trein arriveerde op tijd op het station.

roof

/ruːf/

(noun) dak;

(verb) bedekken met een dak, daken

Voorbeeld:

The heavy snow caused the roof to collapse.
De zware sneeuwval zorgde ervoor dat het dak instortte.

illegal

/ɪˈliː.ɡəl/

(adjective) illegaal, onwettig

Voorbeeld:

It is illegal to drive without a license.
Het is illegaal om zonder rijbewijs te rijden.

reverse

/rɪˈvɝːs/

(verb) achteruitrijden, omkeren, terugdraaien;

(noun) achterkant, tegenovergestelde, omgekeerde;

(adjective) omgekeerd, achteruit

Voorbeeld:

He had to reverse the car out of the narrow driveway.
Hij moest de auto achteruitrijden uit de smalle oprit.

boat

/boʊt/

(noun) boot, vaartuig;

(verb) varen, bootje varen

Voorbeeld:

We took a small boat out on the lake.
We namen een kleine boot mee het meer op.

fly

/flaɪ/

(verb) vliegen, schieten, voorbijvliegen;

(noun) vlieg, gulp

Voorbeeld:

Birds fly south for the winter.
Vogels vliegen naar het zuiden voor de winter.

helicopter

/ˈhel.əˌkɑːp.tɚ/

(noun) helikopter;

(verb) helikopteren, met de helikopter vliegen

Voorbeeld:

The helicopter landed on the helipad.
De helikopter landde op de helikopterplatform.

triangle

/ˈtraɪ.æŋ.ɡəl/

(noun) driehoek, triangel

Voorbeeld:

The architect used a triangle to measure the angles.
De architect gebruikte een driehoek om de hoeken te meten.

vehicle

/ˈviː.ə.kəl/

(noun) voertuig, rijtuig, middel

Voorbeeld:

The police stopped the vehicle for a routine check.
De politie stopte het voertuig voor een routinecontrole.

plane

/pleɪn/

(noun) vlak, plat vlak, vliegtuig;

(verb) schaven, vlak maken

Voorbeeld:

The points all lie on the same plane.
De punten liggen allemaal op hetzelfde vlak.

prohibitive

/proʊˈhɪb.ə.t̬ɪv/

(adjective) onbetaalbaar, verbiedend, belemmerend

Voorbeeld:

The cost of the new car was prohibitive for most families.
De kosten van de nieuwe auto waren onbetaalbaar voor de meeste gezinnen.

road sign

/ˈroʊd saɪn/

(noun) verkeersbord, wegwijzer

Voorbeeld:

The driver missed the road sign for the exit.
De bestuurder miste het verkeersbord voor de afrit.

ship

/ʃɪp/

(noun) schip, vaartuig;

(verb) verzenden, vervoeren

Voorbeeld:

The cargo ship sailed across the ocean.
Het vrachtschip zeilde over de oceaan.

tricycle

/ˈtraɪ.sə.kəl/

(noun) driewieler

Voorbeeld:

The little girl happily rode her new tricycle down the sidewalk.
Het kleine meisje reed vrolijk op haar nieuwe driewieler over de stoep.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland