Avatar of Vocabulary Set Unit 17: Wat zou je willen eten?

Vocabulaireverzameling Unit 17: Wat zou je willen eten? in Groep 5: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Unit 17: Wat zou je willen eten?' in 'Groep 5' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

restaurant

/ˈres.tə.rɑːnt/

(noun) restaurant

Voorbeeld:

Let's go to that new Italian restaurant tonight.
Laten we vanavond naar dat nieuwe Italiaanse restaurant gaan.

noodle

/ˈnuː.dəl/

(noun) noedel, mie, hoofd;

(verb) tokkelen, improviseren, handvissen

Voorbeeld:

She added some fresh noodles to the soup.
Ze voegde wat verse noedels toe aan de soep.

water

/ˈwɑː.t̬ɚ/

(noun) water;

(verb) wateren, begieten

Voorbeeld:

Please give me a glass of water.
Geef me alsjeblieft een glas water.

a glass of

/ə ˌɡlæs əv/

(phrase) een glas

Voorbeeld:

Could I have a glass of water, please?
Mag ik een glas water, alstublieft?

apple juice

/ˈæp.əl ˌdʒuːs/

(noun) appelsap

Voorbeeld:

She poured a glass of fresh apple juice.
Ze schonk een glas verse appelsap in.

fish

/fɪʃ/

(noun) vis;

(verb) vissen, vissen naar, uitvragen

Voorbeeld:

We caught a big fish in the lake.
We vingen een grote vis in het meer.

biscuit

/ˈbɪs.kɪt/

(noun) koekje, biscuit, snelbrood

Voorbeeld:

She offered me a cup of tea and a biscuit.
Ze bood me een kopje thee en een koekje aan.

lemonade

/ˌlem.əˈneɪd/

(noun) limonade

Voorbeeld:

She ordered a glass of refreshing lemonade.
Ze bestelde een glas verfrissende limonade.

nowadays

/ˈnaʊ.ə.deɪz/

(adverb) tegenwoordig, nu

Voorbeeld:

Nowadays, most people have a mobile phone.
Tegenwoordig hebben de meeste mensen een mobiele telefoon.

sandwich

/ˈsæn.wɪtʃ/

(noun) broodje, sandwich;

(verb) wringen, inklemmen

Voorbeeld:

I'll have a ham and cheese sandwich for lunch.
Ik neem een ham-kaas broodje voor de lunch.

meal

/mɪəl/

(noun) maaltijd, eten

Voorbeeld:

We had a delicious meal at the new restaurant.
We hadden een heerlijke maaltijd in het nieuwe restaurant.

canteen

/kænˈtiːn/

(noun) kantine, eetzaal, veldfles

Voorbeeld:

We usually have lunch in the company canteen.
We lunchen meestal in de bedrijfskantine.

fresh

/freʃ/

(adjective) vers, fris, schoon;

(adverb) opnieuw, vers

Voorbeeld:

She bought fresh vegetables from the market.
Ze kocht verse groenten op de markt.

egg

/eɡ/

(noun) ei;

(verb) aanzetten, aanmoedigen

Voorbeeld:

The bird laid an egg in the nest.
De vogel legde een ei in het nest.

sausage

/ˈsɑː.sɪdʒ/

(noun) worst

Voorbeeld:

We had eggs and sausage for breakfast.
We hadden eieren en worst als ontbijt.

butter

/ˈbʌt̬.ɚ/

(noun) boter;

(verb) boteren, besmeren met boter

Voorbeeld:

Please pass the butter.
Geef de boter door, alstublieft.

bottle

/ˈbɑː.t̬əl/

(noun) fles;

(verb) in flessen doen, bottelen, opgeven

Voorbeeld:

Please pass me the water bottle.
Geef me alsjeblieft de waterfles.

banana

/bəˈnæn.ə/

(noun) banaan

Voorbeeld:

She peeled a banana and ate it.
Ze pelde een banaan en at hem op.

diet

/ˈdaɪ.ət/

(noun) dieet, voeding, kuur;

(verb) diëten, op dieet zijn

Voorbeeld:

A healthy diet includes plenty of fruits and vegetables.
Een gezond dieet omvat veel fruit en groenten.

vegetable

/ˈvedʒ.tə.bəl/

(noun) groente, plant, vegetatieve toestand

Voorbeeld:

Carrots and broccoli are healthy vegetables.
Wortels en broccoli zijn gezonde groenten.

vitamin

/ˈvaɪ.t̬ə-/

(noun) vitamine

Voorbeeld:

Citrus fruits are rich in vitamin C.
Citrusvruchten zijn rijk aan vitamine C.

sugar

/ˈʃʊɡ.ɚ/

(noun) suiker, schatje, liefje;

(verb) suikeren, zoeten

Voorbeeld:

Add two spoons of sugar to your coffee.
Voeg twee lepels suiker toe aan je koffie.

salt

/sɑːlt/

(noun) zout, chemische verbinding;

(verb) zouten, pekelen

Voorbeeld:

Add a pinch of salt to the soup for flavor.
Voeg een snufje zout toe aan de soep voor de smaak.

fat

/fæt/

(noun) vet;

(adjective) dik, vet, groot

Voorbeeld:

The chef trimmed the excess fat from the meat.
De chef sneed het overtollige vet van het vlees.

habit

/ˈhæb.ɪt/

(noun) gewoonte, gebruik, habijt;

(verb) kleden, aankleden

Voorbeeld:

Smoking is a bad habit.
Roken is een slechte gewoonte.

rice

/raɪs/

(noun) rijst;

(verb) rijst wassen, purere, fijnpersen

Voorbeeld:

She cooked a delicious meal with chicken and rice.
Ze kookte een heerlijke maaltijd met kip en rijst.

meat

/miːt/

(noun) vlees, pit

Voorbeeld:

We had roasted meat for dinner.
We hadden gebraden vlees als avondeten.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland