Vocabulaireverzameling Eenheid 7: In het Dorp in Groep 2: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 7: In het Dorp' in 'Groep 2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /ˈkɪtʃ.ən/
(noun) keuken
Voorbeeld:
She spent the morning cleaning the kitchen.
Ze bracht de ochtend door met het schoonmaken van de keuken.
/pæn/
(noun) pan, koekenpan, bak;
(verb) afkraken, bekritiseren, pannen
Voorbeeld:
Heat the oil in a large pan.
Verhit de olie in een grote pan.
/spuːn/
(noun) lepel;
(verb) scheppen, lepelen, lepeltje-lepeltje liggen
Voorbeeld:
Please pass me a spoon for my soup.
Geef me alsjeblieft een lepel voor mijn soep.
/bred/
(noun) brood, geld, poen;
(verb) paneren
Voorbeeld:
She bought a loaf of bread from the bakery.
Ze kocht een brood brood bij de bakker.
/fruːt/
(noun) fruit, vrucht, resultaat;
(verb) vruchten dragen, fruit produceren
Voorbeeld:
Apples and oranges are common types of fruit.
Appels en sinaasappels zijn veelvoorkomende soorten fruit.
/dʒuːs/
(noun) sap, stroom, elektriciteit;
(verb) persen, sap maken
Voorbeeld:
She squeezed fresh orange juice for breakfast.
Ze perste verse sinaasappelsap voor het ontbijt.
/dʒæm/
(noun) jam, opstopping, file;
(verb) proppen, vastzetten, jammen
Voorbeeld:
She made homemade strawberry jam.
Ze maakte zelfgemaakte aardbeienjam.