Vocabulaireverzameling Eenheid 15: Bij de Voetbalwedstrijd in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'Eenheid 15: Bij de Voetbalwedstrijd' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /feɪs/
(noun) gezicht, wijzerplaat, wand;
(verb) onder ogen zien, tegemoet treden, liggen
Voorbeeld:
She washed her face with cold water.
Ze waste haar gezicht met koud water.
/ˈfɑː.ðɚ/
(noun) vader, papa, pater;
(verb) verwekken, vader zijn van, oprichten
Voorbeeld:
My father taught me how to ride a bike.
Mijn vader leerde me fietsen.
/fʊt/
(noun) voet, lengtemaat, onderkant;
(verb) lopen, te voet gaan, betalen
Voorbeeld:
He hurt his foot playing soccer.
Hij bezeerde zijn voet tijdens het voetballen.
/ˈfʊt.bɑːl/
(noun) voetbal, football, rugbybal
Voorbeeld:
He loves watching football on Sundays.
Hij kijkt graag naar voetbal op zondag.
/ˈlʌv.li/
(adjective) prachtig, mooi, heerlijk
Voorbeeld:
She wore a lovely dress to the party.
Ze droeg een prachtige jurk naar het feest.
/wɑːtʃ/
(verb) kijken, observeren, opletten;
(noun) horloge, wacht, bewaking
Voorbeeld:
I like to watch movies on weekends.
Ik kijk graag films in het weekend.
/mætʃ/
(noun) wedstrijd, match, lucifer;
(verb) overeenkomen, passen bij, matchen
Voorbeeld:
The football match ended in a draw.
De voetbalwedstrijd eindigde in een gelijkspel.