Avatar of Vocabulary Set Eenheid 11: Bij de bushalte

Vocabulaireverzameling Eenheid 11: Bij de bushalte in Groep 1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'Eenheid 11: Bij de bushalte' in 'Groep 1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bus

/bʌs/

(noun) bus;

(verb) met de bus vervoeren

Voorbeeld:

I take the bus to work every day.
Ik neem elke dag de bus naar mijn werk.

run

/rʌn/

(verb) rennen, lopen, werken;

(noun) loop, ren, periode

Voorbeeld:

She decided to run a marathon next year.
Ze besloot volgend jaar een marathon te rennen.

sun

/sʌn/

(noun) zon, zonlicht, zonnewarmte;

(verb) zonnen, blootstellen aan de zon

Voorbeeld:

The sun is shining brightly today.
De zon schijnt vandaag fel.

truck

/trʌk/

(noun) vrachtwagen, truck, kar;

(verb) vervoeren met vrachtwagen, trucken

Voorbeeld:

The delivery truck arrived late.
De bezorgwagen kwam te laat.

move

/muːv/

(verb) bewegen, verplaatsen, verhuizen;

(noun) beweging, zet, verhuizing

Voorbeeld:

The car began to move slowly down the street.
De auto begon langzaam de straat af te bewegen.

boy

/bɔɪ/

(noun) jongen, kerel;

(exclamation) jongen, man

Voorbeeld:

The little boy was playing with his toy car.
De kleine jongen speelde met zijn speelgoedauto.

look

/lʊk/

(verb) kijken, zoeken, lijken;

(noun) blik, uitstraling, uiterlijk

Voorbeeld:

She looked at him and smiled.
Ze keek naar hem en glimlachte.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland