Avatar of Vocabulary Set C1 - Onderwijs is de sleutel!

Vocabulaireverzameling C1 - Onderwijs is de sleutel! in Niveau C1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'C1 - Onderwijs is de sleutel!' in 'Niveau C1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

admission

/ədˈmɪʃ.ən/

(noun) toegang, toelating, bekentenis

Voorbeeld:

Admission to the museum is free on Tuesdays.
Toegang tot het museum is gratis op dinsdag.

attendance

/əˈten.dəns/

(noun) aanwezigheid, opkomst, opkomstcijfer

Voorbeeld:

Her attendance at the meeting was mandatory.
Haar aanwezigheid op de vergadering was verplicht.

detention

/dɪˈten.ʃən/

(noun) detentie, hechtenis, nablijven

Voorbeeld:

The suspect was held in police detention for questioning.
De verdachte werd in politiedetentie gehouden voor verhoor.

principal

/ˈprɪn.sə.pəl/

(noun) directeur, schoolhoofd, hoofdsom;

(adjective) voornaamste, belangrijkste, hoofd-

Voorbeeld:

The principal announced the new school policy.
De directeur kondigde het nieuwe schoolbeleid aan.

educator

/ˈedʒ.ə.keɪ.t̬ɚ/

(noun) pedagoog, docent, onderwijzer

Voorbeeld:

She is a dedicated educator who always puts her students first.
Zij is een toegewijde pedagoog die haar studenten altijd op de eerste plaats zet.

janitor

/ˈdʒæn.ə.t̬ɚ/

(noun) conciërge, huismeester

Voorbeeld:

The janitor cleaned the school hallways every evening.
De conciërge maakte elke avond de schoolgangen schoon.

chair

/tʃer/

(noun) stoel, voorzitter, leider;

(verb) voorzitten, leiden

Voorbeeld:

Please take a chair and sit down.
Neem alstublieft een stoel en ga zitten.

dropout

/ˈdrɑːp.aʊt/

(noun) uitvaller, afhaker

Voorbeeld:

He became a college dropout and started his own business.
Hij werd een universiteitsuitvaller en begon zijn eigen bedrijf.

scholar

/ˈskɑː.lɚ/

(noun) geleerde, wetenschapper, beursstudent

Voorbeeld:

She is a renowned scholar of ancient history.
Zij is een gerenommeerde geleerde in de oude geschiedenis.

truant

/ˈtruː.ənt/

(noun) spijbelaar, absent;

(adjective) spijbelend, afwezig;

(verb) spijbelen, afwezig zijn

Voorbeeld:

The school counselor called the parents of the habitual truant.
De schoolbegeleider belde de ouders van de gewoonlijke spijbelaar.

confer

/kənˈfɝː/

(verb) verlenen, toekennen, overleggen

Voorbeeld:

The university will confer an honorary degree upon the visiting dignitary.
De universiteit zal een eredoctoraat verlenen aan de bezoekende hoogwaardigheidsbekleder.

expel

/ɪkˈspel/

(verb) uitzetten, verbannen, uitstoten

Voorbeeld:

The student was expelled from school for cheating.
De student werd van school gestuurd wegens spieken.

skip

/skɪp/

(verb) hinkelen, springen, overslaan;

(noun) hink, sprong, overslag

Voorbeeld:

The children were skipping happily down the street.
De kinderen waren vrolijk de straat aan het hinkelen.

flag

/flæɡ/

(noun) vlag;

(verb) markeren, vlaggen, verslappen

Voorbeeld:

The national flag was raised at dawn.
De nationale vlag werd bij zonsopgang gehesen.

dissertation

/ˌdɪs.ɚˈteɪ.ʃən/

(noun) dissertatie, proefschrift

Voorbeeld:

She spent a year writing her doctoral dissertation.
Ze heeft een jaar besteed aan het schrijven van haar doctorale dissertatie.

doctorate

/ˈdɑːk.tɚ.ət/

(noun) doctoraat, doctorstitel

Voorbeeld:

She is pursuing a doctorate in astrophysics.
Ze volgt een doctoraat in astrofysica.

field day

/ˈfiːld deɪ/

(noun) sportdag, buitendag, hoogtijdag

Voorbeeld:

The school organized a field day with various games and races for the students.
De school organiseerde een sportdag met verschillende spelletjes en races voor de leerlingen.

field trip

/ˈfiːld trɪp/

(noun) schoolreisje, excursie

Voorbeeld:

The class went on a field trip to the science museum.
De klas ging op een schoolreisje naar het wetenschapsmuseum.

gre

/ˌdʒiː ɑːr ˈiː/

(abbreviation) GRE, Graduate Record Examinations

Voorbeeld:

She's studying hard for her GRE.
Ze studeert hard voor haar GRE.

SAT

/sæt/

(abbreviation) SAT-test

Voorbeeld:

She scored very high on her SAT.
Ze scoorde erg hoog op haar SAT.

cognitive

/ˈkɑːɡ.nə.t̬ɪv/

(adjective) cognitief

Voorbeeld:

The study examined the cognitive development of children.
De studie onderzocht de cognitieve ontwikkeling van kinderen.

extracurricular

/ˌek.strə.kəˈrɪk.jə.lɚ/

(adjective) buitenschools, extracurriculair

Voorbeeld:

She participates in many extracurricular activities, like debate club and sports.
Ze neemt deel aan veel buitenschoolse activiteiten, zoals de debatclub en sport.

intensive

/ɪnˈten.sɪv/

(adjective) intensief, grondig, uitgebreid

Voorbeeld:

The course provides intensive training in computer programming.
De cursus biedt intensieve training in computerprogrammering.

literate

/ˈlɪt̬.ɚ.ət/

(adjective) geletterd, bekwaam, kundig

Voorbeeld:

She is fully literate in both English and Spanish.
Ze is volledig geletterd in zowel Engels als Spaans.

prestigious

/presˈtɪdʒ.əs/

(adjective) prestigieus, gerenommeerd, aanzienlijk

Voorbeeld:

She received a scholarship to a prestigious university.
Ze ontving een beurs voor een prestigieuze universiteit.

vocational

/voʊˈkeɪ.ʃən.əl/

(adjective) beroeps, vak-

Voorbeeld:

She decided to pursue vocational training after high school.
Ze besloot na de middelbare school een beroepsopleiding te volgen.

syllabus

/ˈsɪl.ə.bəs/

(noun) syllabus, lesprogramma

Voorbeeld:

The professor handed out the syllabus on the first day of class.
De professor deelde de syllabus uit op de eerste dag van de les.

module

/ˈmɑː.dʒuːl/

(noun) module, bouwsteen, elektronische module

Voorbeeld:

The new office building is constructed from prefabricated modules.
Het nieuwe kantoorgebouw is opgebouwd uit geprefabriceerde modules.

algebra

/ˈæl.dʒə.brə/

(noun) algebra

Voorbeeld:

She struggled with algebra in high school.
Ze had moeite met algebra op de middelbare school.

arithmetic

/əˈrɪθ.mə.tɪk/

(noun) rekenen, aritmetica

Voorbeeld:

Basic arithmetic skills are essential for everyday life.
Basisvaardigheden in rekenen zijn essentieel voor het dagelijks leven.

humanities

/hjuˈmæn·ɪ·t̬iz/

(plural noun) geesteswetenschappen

Voorbeeld:

She decided to major in the humanities at university.
Ze besloot zich te specialiseren in de geesteswetenschappen aan de universiteit.

residence hall

/ˈrez.ɪ.dəns ˌhɑːl/

(noun) studentenhuis, studentenflat

Voorbeeld:

Many first-year students live in the residence hall.
Veel eerstejaars studenten wonen in het studentenhuis.

theology

/θiˈɑː.lə.dʒi/

(noun) theologie

Voorbeeld:

She is pursuing a degree in theology.
Ze volgt een opleiding in de theologie.

zoology

/zoʊˈɑː.lə.dʒi/

(noun) zoölogie

Voorbeeld:

She decided to major in zoology at university.
Ze besloot zoölogie te studeren aan de universiteit.

AWOL

/ˈeɪ.wɑːl/

(adjective) AWOL, ongeoorloofd afwezig;

(adverb) AWOL, ongeoorloofd afwezig

Voorbeeld:

The soldier went AWOL after a disagreement with his commanding officer.
De soldaat ging AWOL na een meningsverschil met zijn bevelvoerende officier.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland