Avatar of Vocabulary Set B1 - Het menselijk lichaam

Vocabulaireverzameling B1 - Het menselijk lichaam in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Het menselijk lichaam' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

armpit

/ˈɑːrm.pɪt/

(noun) oksel

Voorbeeld:

She applied deodorant to her armpits.
Ze bracht deodorant aan op haar oksel.

hip

/hɪp/

(noun) heup;

(adjective) hip, trendy, modern;

(exclamation) hiep

Voorbeeld:

She put her hands on her hips and sighed.
Ze legde haar handen op haar heupen en zuchtte.

temple

/ˈtem.pəl/

(noun) tempel, slaap

Voorbeeld:

The ancient temple was dedicated to the sun god.
De oude tempel was gewijd aan de zonnegod.

thumb

/θʌm/

(noun) duim;

(verb) doorbladeren, doorlezen, liften

Voorbeeld:

He gave a thumbs-up to show approval.
Hij gaf een duim omhoog om goedkeuring te tonen.

toenail

/ˈtoʊ.neɪl/

(noun) teennagel

Voorbeeld:

She painted her toenails a bright red.
Ze lakte haar teennagels felrood.

fingernail

/ˈfɪŋ.ɡɚ.neɪl/

(noun) vingernagel

Voorbeeld:

She bit her fingernails when she was nervous.
Ze beet op haar vingernagels als ze nerveus was.

joint

/dʒɔɪnt/

(noun) gewricht, verbinding, voeg;

(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;

(verb) verbinden, samenvoegen

Voorbeeld:

My knee joint aches after running.
Mijn kniegewricht doet pijn na het rennen.

rib

/rɪb/

(noun) rib, ribbetje, ribstuk;

(verb) plagen, spotten

Voorbeeld:

He fractured a rib in the accident.
Hij brak een rib bij het ongeluk.

sole

/soʊl/

(noun) voetzool, zool, tong;

(adjective) enig, alleen;

(verb) verzolen

Voorbeeld:

He had a blister on the sole of his foot.
Hij had een blaar op de voetzool.

eyeball

/ˈaɪ.bɑːl/

(noun) oogbol;

(verb) nauwkeurig bekijken, op het oog meten

Voorbeeld:

The doctor examined her eyeball for any signs of damage.
De dokter onderzocht haar oogbol op tekenen van schade.

breathe

/briːð/

(verb) ademen, uiten, fluisteren

Voorbeeld:

She took a deep breath and began to breathe slowly.
Ze haalde diep adem en begon langzaam te ademen.

circulation

/ˌsɝː.kjəˈleɪ.ʃən/

(noun) circulatie, doorbloeding, oplage

Voorbeeld:

Regular exercise improves blood circulation.
Regelmatige lichaamsbeweging verbetert de bloedcirculatie.

sense

/sens/

(noun) zintuig, gevoel, besef;

(verb) voelen, waarnemen

Voorbeeld:

Our five senses help us understand the world.
Onze vijf zintuigen helpen ons de wereld te begrijpen.

sight

/saɪt/

(noun) zicht, gezichtsvermogen, gezicht;

(verb) zien, waarnemen

Voorbeeld:

He lost his sight in the accident.
Hij verloor zijn zicht bij het ongeluk.

hearing

/ˈhɪr.ɪŋ/

(noun) gehoor, hoorzitting, verhoor

Voorbeeld:

Her hearing is excellent for her age.
Haar gehoor is uitstekend voor haar leeftijd.

touch

/tʌtʃ/

(verb) aanraken, raken, aangrijpen;

(noun) aanraking, gevoel, vleugje

Voorbeeld:

Don't touch the wet paint.
Raak de natte verf niet aan.

smell

/smel/

(noun) reuk, reukvermogen, geur;

(verb) ruiken, besnuffelen, geuren

Voorbeeld:

Dogs have a very keen sense of smell.
Honden hebben een zeer scherp reukvermogen.

waist

/weɪst/

(noun) taille

Voorbeeld:

She tied a belt around her waist.
Ze bond een riem om haar taille.

taste

/teɪst/

(noun) smaak, voorkeur;

(verb) proeven, smaken

Voorbeeld:

The soup has a delicious taste.
De soep heeft een heerlijke smaak.

hormone

/ˈhɔːr.moʊn/

(noun) hormoon

Voorbeeld:

Insulin is a hormone that regulates blood sugar.
Insuline is een hormoon dat de bloedsuikerspiegel reguleert.

tissue

/ˈtɪʃ.uː/

(noun) weefsel, zakdoekje, tissue

Voorbeeld:

Muscle tissue is responsible for movement.
Spierweefsel is verantwoordelijk voor beweging.

nerve

/nɝːv/

(noun) zenuw, lef, moed;

(verb) aanmoedigen, sterken

Voorbeeld:

The doctor tested his reflexes to check his nerves.
De dokter testte zijn reflexen om zijn zenuwen te controleren.

gesture

/ˈdʒes.tʃɚ/

(noun) gebaar, teken;

(verb) gebaren, wijzen

Voorbeeld:

He made a rude gesture with his hand.
Hij maakte een onbeleefd gebaar met zijn hand.

tear

/ter/

(verb) scheuren, verscheuren, een gat maken;

(noun) traan

Voorbeeld:

She accidentally tore the letter in half.
Ze scheurde per ongeluk de brief doormidden.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland