Avatar of Vocabulary Set B1 - Vlees en Zuivel

Vocabulaireverzameling B1 - Vlees en Zuivel in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'B1 - Vlees en Zuivel' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

bacon

/ˈbeɪ.kən/

(noun) spek

Voorbeeld:

I love crispy bacon with my eggs.
Ik hou van knapperig spek bij mijn eieren.

red meat

/ˌred ˈmiːt/

(noun) rood vlees

Voorbeeld:

Many people are trying to reduce their consumption of red meat for health reasons.
Veel mensen proberen hun consumptie van rood vlees te verminderen om gezondheidsredenen.

white meat

/ˈwaɪt ˌmiːt/

(noun) wit vlees, witvis

Voorbeeld:

I prefer the white meat of the chicken breast.
Ik geef de voorkeur aan het witte vlees van de kipfilet.

wing

/wɪŋ/

(noun) vleugel, gedeelte, factie;

(verb) voorzien van vleugels, in de vleugel raken, improviseren

Voorbeeld:

The bird flapped its wings and soared into the sky.
De vogel klapperde met zijn vleugels en zweefde de lucht in.

veal

/viːl/

(noun) kalfsvlees

Voorbeeld:

The restaurant specializes in Italian dishes, including delicious veal scaloppine.
Het restaurant is gespecialiseerd in Italiaanse gerechten, waaronder heerlijke kalfsschnitzel.

turkey

/ˈtɝː.ki/

(noun) kalkoen, idioot, domoor

Voorbeeld:

We had roasted turkey for Thanksgiving dinner.
We hadden gebraden kalkoen voor het Thanksgiving-diner.

rib

/rɪb/

(noun) rib, ribbetje, ribstuk;

(verb) plagen, spotten

Voorbeeld:

He fractured a rib in the accident.
Hij brak een rib bij het ongeluk.

rabbit

/ˈræb.ɪt/

(noun) konijn;

(verb) ratelen, kletsen

Voorbeeld:

The rabbit hopped across the field.
Het konijn huppelde over het veld.

meatball

/ˈmiːt.bɑːl/

(noun) gehaktbal, bal gehakt

Voorbeeld:

She served spaghetti with large meatballs.
Ze serveerde spaghetti met grote gehaktballen.

seafood

/ˈsiː.fuːd/

(noun) zeevruchten

Voorbeeld:

We had fresh seafood for dinner.
We hadden verse zeevruchten voor het avondeten.

shellfish

/ˈʃel.fɪʃ/

(noun) schelpdieren, schaaldieren

Voorbeeld:

Lobster, crab, and shrimp are types of shellfish.
Kreeft, krab en garnalen zijn soorten schelpdieren.

lobster

/ˈlɑːb.stɚ/

(noun) kreeft

Voorbeeld:

We ordered a whole steamed lobster for dinner.
We bestelden een hele gestoomde kreeft voor het avondeten.

hamburger

/ˈhæmˌbɝː.ɡɚ/

(noun) hamburger

Voorbeeld:

I ordered a hamburger with cheese and fries.
Ik bestelde een hamburger met kaas en friet.

crab

/kræb/

(noun) krab;

(verb) klagen, mopperen

Voorbeeld:

We caught a large crab at the beach.
We vingen een grote krab op het strand.

oyster

/ˈɔɪ.stɚ/

(noun) oester

Voorbeeld:

She ordered a dozen fresh oysters on the half shell.
Ze bestelde een dozijn verse oesters op de halve schelp.

joint

/dʒɔɪnt/

(noun) gewricht, verbinding, voeg;

(adjective) gezamenlijk, gemeenschappelijk;

(verb) verbinden, samenvoegen

Voorbeeld:

My knee joint aches after running.
Mijn kniegewricht doet pijn na het rennen.

ham

/hæm/

(noun) ham, radioamateur, zendamateur;

(verb) overacteren, overdrijven

Voorbeeld:

We had roasted ham for Christmas dinner.
We hadden gebraden ham voor het kerstdiner.

flesh

/fleʃ/

(noun) vlees, lichaam, vruchtvlees;

(verb) uitwerken, verdiepen

Voorbeeld:

The wound went deep into the flesh.
De wond ging diep in het vlees.

duck

/dʌk/

(noun) eend;

(verb) duiken, ontwijken

Voorbeeld:

The duck swam gracefully across the pond.
De eend zwom gracieus over de vijver.

cut

/kʌt/

(verb) snijden, knippen, hakken;

(noun) snede, knippen, coupe;

(adjective) gesneden, geknipt

Voorbeeld:

She accidentally cut her finger while chopping vegetables.
Ze sneed per ongeluk haar vinger tijdens het snijden van groenten.

breast

/brest/

(noun) borst, boezem;

(verb) trotseren, doorbreken

Voorbeeld:

The baby nursed from its mother's breast.
De baby zoog aan de borst van zijn moeder.

goose

/ɡuːs/

(noun) gans, domoor;

(verb) prikken, stoten, opvoeren

Voorbeeld:

The farmer kept a flock of geese.
De boer hield een kudde ganzen.

Swiss cheese

/ˌswɪs ˈtʃiːz/

(noun) Zwitserse kaas

Voorbeeld:

I made a sandwich with ham and Swiss cheese.
Ik maakte een broodje met ham en Zwitserse kaas.

blue cheese

/ˌbluː ˈtʃiːz/

(noun) blauwe kaas, schimmelkaas

Voorbeeld:

I love the pungent taste of blue cheese with crackers.
Ik hou van de scherpe smaak van blauwe kaas met crackers.

cheddar

/ˈtʃed.ɚ/

(noun) cheddar, cheddarkaas

Voorbeeld:

I love a good slice of cheddar cheese on my sandwich.
Ik hou van een goed plakje cheddar kaas op mijn boterham.

cream cheese

/ˈkriːm ˌtʃiːz/

(noun) roomkaas

Voorbeeld:

I love spreading cream cheese on my bagel every morning.
Ik smeer elke ochtend graag roomkaas op mijn bagel.

gouda

/ˈɡuː.də/

(noun) Gouda, Goudse kaas

Voorbeeld:

She served slices of Gouda with crackers.
Ze serveerde plakjes Gouda met crackers.

yolk

/joʊk/

(noun) dooier, eigeel

Voorbeeld:

Separate the egg white from the yolk.
Scheid het eiwit van de dooier.

white

/waɪt/

(adjective) wit, blank;

(noun) wit, de kleur wit, blanken;

(verb) witten, bleken

Voorbeeld:

She wore a beautiful white dress to the party.
Ze droeg een prachtige witte jurk naar het feest.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland