Vocabulaireverzameling B1 - Huizen en Gebouwen in Niveau B1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'B1 - Huizen en Gebouwen' in 'Niveau B1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(noun) toren;
(verb) uittorenen boven, bovenuit steken
Voorbeeld:
(noun) paleis, herenhuis
Voorbeeld:
(noun) hut, blokhut, cabine
Voorbeeld:
(noun) studio, atelier, productiebedrijf
Voorbeeld:
(noun) guesthouse, pension
Voorbeeld:
(noun) appartementencomplex, flatgebouw
Voorbeeld:
(noun) landhuis
Voorbeeld:
(noun) vloer, verdieping;
(verb) vloeren, verbijsteren
Voorbeeld:
(noun) stap, trede, opstapje;
(verb) stappen, lopen
Voorbeeld:
(noun) open haard, schoorsteenmantel
Voorbeeld:
(noun) schoorsteen
Voorbeeld:
(noun) oprit
Voorbeeld:
(noun) gang, corridor, strook
Voorbeeld:
(verb) afvoeren, leegpompen, aftappen;
(noun) afvoer, goot, riool
Voorbeeld:
(noun) loopbrug, voetpad
Voorbeeld:
(noun) achterdeur, omweg
Voorbeeld:
(noun) voordeur
Voorbeeld:
(noun) familiekamer
Voorbeeld:
(noun) logeerruimte, gastenverblijf
Voorbeeld:
(noun) opslagruimte, magazijn
Voorbeeld:
(noun) zwembad
Voorbeeld:
(noun) studie, leren, werkkamer;
(verb) studeren, leren, bestuderen
Voorbeeld:
(noun) plank, schap, richel
Voorbeeld:
(noun) veranda, portiek, galerij
Voorbeeld:
(noun) inwoner, bewoner, resident;
(adjective) ingezeten, wonend
Voorbeeld:
(noun) accommodatie, verblijf, regeling
Voorbeeld:
(noun) huur;
(verb) huren, verhuren
Voorbeeld: