Avatar of Vocabulary Set A2 - Hoeveelheid

Vocabulaireverzameling A2 - Hoeveelheid in Niveau A2: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A2 - Hoeveelheid' in 'Niveau A2' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

much

/mʌtʃ/

(determiner) veel;

(pronoun) veel;

(adverb) veel, erg

Voorbeeld:

He doesn't earn much money.
Hij verdient niet veel geld.

many

/ˈmen.i/

(determiner) veel, menig;

(pronoun) velen, veel

Voorbeeld:

There are many books on the shelf.
Er staan veel boeken op de plank.

most

/moʊst/

(determiner) meeste, grootste deel;

(adverb) meest, het meest;

(pronoun) meeste, het meest

Voorbeeld:

Most people agree with the decision.
De meeste mensen zijn het eens met de beslissing.

least

/liːst/

(determiner) minst;

(pronoun) minst;

(adverb) minst

Voorbeeld:

He showed the least interest in the proposal.
Hij toonde de minste interesse in het voorstel.

all

/ɑːl/

(determiner) alle, heel;

(pronoun) alles, iedereen;

(adverb) helemaal, volledig

Voorbeeld:

She ate all the cake.
Ze at alle cake op.

few

/fjuː/

(determiner) weinig, enkele;

(pronoun) weinig, enkelen;

(adjective) weinig, niet veel

Voorbeeld:

I have a few friends coming over tonight.
Ik heb vanavond een paar vrienden op bezoek.

more

/mɔːr/

(determiner) meer;

(adverb) meer;

(pronoun) meer

Voorbeeld:

I need more time to finish this project.
Ik heb meer tijd nodig om dit project af te maken.

less

/les/

(determiner) minder;

(adverb) minder

Voorbeeld:

I have less money than you.
Ik heb minder geld dan jij.

little

/ˈlɪt̬.əl/

(adjective) klein, weinig, jong;

(determiner) weinig, beetje;

(adverb) een beetje, weinig

Voorbeeld:

She has a little dog.
Ze heeft een klein hondje.

very

/ˈver.i/

(adverb) erg, zeer;

(adjective) precies, zelf

Voorbeeld:

She is very kind.
Ze is erg aardig.

quite

/kwaɪt/

(adverb) helemaal, volkomen, redelijk

Voorbeeld:

I'm quite sure I locked the door.
Ik ben er helemaal zeker van dat ik de deur op slot heb gedaan.

too

/tuː/

(adverb) te, ook, daarbij

Voorbeeld:

It's too hot to go outside.
Het is te warm om naar buiten te gaan.

pretty

/ˈprɪt̬.i/

(adjective) mooi, knap;

(adverb) redelijk, tamelijk

Voorbeeld:

She wore a pretty dress to the party.
Ze droeg een mooie jurk naar het feest.

really

/ˈriː.ə.li/

(adverb) echt, werkelijk, heel;

(interjection) echt?, werkelijk?

Voorbeeld:

He didn't really understand the instructions.
Hij begreep de instructies echt niet.

fairly

/ˈfer.li/

(adverb) redelijk, tamelijk, eerlijk

Voorbeeld:

She sings fairly well.
Ze zingt redelijk goed.

first

/ˈfɝːst/

(adjective) eerste;

(adverb) eerst, als eerste;

(noun) eerste, de eerste

Voorbeeld:

She was the first person to arrive.
Zij was de eerste persoon die aankwam.

second

/ˈsek.ənd/

(noun) seconde, tweede, tweede plaats;

(ordinal number) tweede;

(verb) steunen, ondersteunen

Voorbeeld:

The race was won by a mere second.
De race werd gewonnen met slechts één seconde.

third

/θɝːd/

(ordinal number) derde;

(noun) derde;

(adverb) derde

Voorbeeld:

She finished third in the race.
Ze eindigde als derde in de race.

completely

/kəmˈpliːt.li/

(adverb) volledig, helemaal

Voorbeeld:

The house was completely destroyed by the fire.
Het huis werd volledig verwoest door de brand.

so

/soʊ/

(adverb) zo, erg, inderdaad;

(conjunction) dus, daarom

Voorbeeld:

Why are you so sad?
Waarom ben je zo verdrietig?

great

/ɡreɪt/

(adjective) groot, geweldig, uitstekend;

(adverb) geweldig, uitstekend

Voorbeeld:

The company achieved great success this year.
Het bedrijf behaalde dit jaar groot succes.

extremely

/ɪkˈstriːm.li/

(adverb) extreem, uitermate

Voorbeeld:

She was extremely happy with the results.
Ze was extreem blij met de resultaten.

rather

/ˈræð.ɚ/

(adverb) liever, eerder, nogal

Voorbeeld:

I'd rather stay home tonight.
Ik blijf liever vanavond thuis.

totally

/ˈtoʊ.t̬əl.i/

(adverb) helemaal, volledig, absoluut

Voorbeeld:

I'm totally exhausted after that long flight.
Ik ben helemaal uitgeput na die lange vlucht.

unusually

/ʌnˈjuː.ʒu.ə.li/

(adverb) ongewoon, buitengewoon

Voorbeeld:

The weather was unusually warm for this time of year.
Het weer was ongewoon warm voor deze tijd van het jaar.

either

/ˈiː.ðɚ/

(determiner) ofwel, beide, elke;

(pronoun) één van beide, elk van de twee;

(adverb) ook niet

Voorbeeld:

You can either stay or leave.
Je kunt ofwel blijven of weggaan.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland