Vocabulaireverzameling A1 - Voorzetsels en Bepalers in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Voorzetsels en Bepalers' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren(preposition) voor, voordat;
(adverb) eerder, voorheen;
(conjunction) voordat
Voorbeeld:
(preposition) na, achter;
(adverb) daarna, later;
(conjunction) achter, op zoek naar
Voorbeeld:
(preposition) in;
(adverb) binnen, thuis, op kantoor;
(adjective) in, populair
Voorbeeld:
(preposition) op, in;
(adverb) aan, in werking, door;
(adjective) doorgaan, gepland
Voorbeeld:
(preposition) onder, hieronder, onderaan;
(adverb) beneden, onder
Voorbeeld:
(preposition) boven, meer dan, verheven boven;
(adverb) boven, omhoog, hoger;
(adjective) hierboven, bovengenoemd;
(noun) het bovengenoemde, het voorgaande
Voorbeeld:
(preposition) over, dwars door, aan de overkant van;
(adverb) over, dwars, duidelijk
Voorbeeld:
(adverb) dichtbij, nabij;
(preposition) nabij, dichtbij;
(adjective) nabij, dichtbij;
(verb) naderen, dichterbij komen
Voorbeeld:
(preposition) tussen;
(adverb) tussen
Voorbeeld:
(preposition) naast, bijna, vrijwel
Voorbeeld:
(preposition) achter, steunen;
(adverb) achter, te laat;
(adjective) achter, minder succesvol
Voorbeeld:
(preposition) voor, in aanwezigheid van
Voorbeeld:
(preposition) met;
(adverb) mee, erbij
Voorbeeld:
(preposition) naar, aan, voor
Voorbeeld:
We are going to the store.
(determiner) nog een, een andere, verschillende;
(pronoun) een ander, nog een
Voorbeeld:
(determiner) deze, dit;
(pronoun) dit;
(adverb) zo, zodanig
Voorbeeld:
(determiner) die, dat;
(pronoun) dat, die;
(adverb) zo, zodanig;
(conjunction) dat, die
Voorbeeld:
(determiner) beide, zowel;
(pronoun) beide;
(conjunction) zowel...als
Voorbeeld:
(determiner) zo'n, dergelijk, zoals;
(pronoun) zo iemand, dergelijke;
(adverb) zo, erg
Voorbeeld:
(pronoun) wat, welke;
(determiner) wat, welke;
(adverb) wat;
(interjection) wat
Voorbeeld:
(determiner) wat ook, welke dan ook;
(pronoun) wat ook, alles wat;
(exclamation) wat dan ook, het maakt niet uit
Voorbeeld:
(determiner) welke, wat voor;
(pronoun) welke, wat, die
Voorbeeld:
(preposition) over, boven, aan de andere kant van;
(adverb) voorbij, afgelopen, om;
(adjective) voorbij, afgelopen
Voorbeeld: