Vocabulaireverzameling A1 - Maanden en Seizoenen in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst
De vocabulaireverzameling 'A1 - Maanden en Seizoenen' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland
Nu leren /mʌnθ/
(noun) maand
Voorbeeld:
There are twelve months in a year.
Er zijn twaalf maanden in een jaar.
/ˈdʒæn.ju.er.i/
(noun) januari
Voorbeeld:
My birthday is in January.
Mijn verjaardag is in januari.
/ˈfeb.ruː.er.i/
(noun) februari
Voorbeeld:
My birthday is in February.
Mijn verjaardag is in februari.
/mɑːrtʃ/
(verb) marcheren, lopen, gaan;
(noun) mars, optocht, maart
Voorbeeld:
The soldiers marched in perfect formation.
De soldaten marcheerden in perfecte formatie.
/meɪ/
(modal verb) kunnen, mogen, wens;
(noun) mei
Voorbeeld:
It may rain later.
Het kan later regenen.
/ˈɑː.ɡəst/
(adjective) verheven, majestueus, eerbiedwaardig;
(noun) augustus
Voorbeeld:
The queen made an august appearance at the ceremony.
De koningin maakte een verheven verschijning op de ceremonie.
/sepˈtem.bɚ/
(noun) september
Voorbeeld:
Her birthday is in September.
Haar verjaardag is in september.
/ɑːkˈtoʊ.bɚ/
(noun) oktober
Voorbeeld:
My birthday is in October.
Mijn verjaardag is in oktober.
/noʊˈvem.bɚ/
(noun) november
Voorbeeld:
My birthday is in November.
Mijn verjaardag is in november.
/dɪˈsem.bɚ/
(noun) december
Voorbeeld:
Christmas is celebrated in December.
Kerstmis wordt gevierd in december.
/ˈsiː.zən/
(noun) seizoen, jaargetijde;
(verb) kruiden, op smaak brengen
Voorbeeld:
Autumn is my favorite season.
De herfst is mijn favoriete seizoen.
/sprɪŋ/
(noun) lente, voorjaar, veer;
(verb) springen, veren, ontspringen
Voorbeeld:
Flowers bloom beautifully in spring.
Bloemen bloeien prachtig in de lente.
/ˈsʌm.ɚ/
(noun) zomer;
(verb) zomeren
Voorbeeld:
We usually go on vacation in the summer.
We gaan meestal op vakantie in de zomer.
/fɑːl/
(verb) vallen, dalen, afnemen;
(noun) val, daling, herfst
Voorbeeld:
The apple fell from the tree.
De appel viel van de boom.
/ˈwɪn.t̬ɚ/
(noun) winter;
(verb) overwinteren
Voorbeeld:
I love to ski in the winter.
Ik hou van skiën in de winter.