Avatar of Vocabulary Set A1 - Vrije Tijd

Vocabulaireverzameling A1 - Vrije Tijd in Niveau A1: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A1 - Vrije Tijd' in 'Niveau A1' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

free time

/ˈfriː taɪm/

(noun) vrije tijd

Voorbeeld:

I like to read books in my free time.
Ik lees graag boeken in mijn vrije tijd.

hobby

/ˈhɑː.bi/

(noun) hobby

Voorbeeld:

My main hobby is collecting stamps.
Mijn belangrijkste hobby is postzegels verzamelen.

movie

/ˈmuː.vi/

(noun) film, bioscoopfilm

Voorbeeld:

Let's go see a movie tonight.
Laten we vanavond een film gaan kijken.

travel

/ˈtræv.əl/

(verb) reizen, verplaatsen, zich voortbewegen;

(noun) reis, reizen

Voorbeeld:

I love to travel to new countries.
Ik hou ervan om naar nieuwe landen te reizen.

music

/ˈmjuː.zɪk/

(noun) muziek, bladmuziek, noten

Voorbeeld:

She loves listening to classical music.
Ze luistert graag naar klassieke muziek.

guitar

/ɡɪˈtɑːr/

(noun) gitaar

Voorbeeld:

He learned to play the guitar at a young age.
Hij leerde op jonge leeftijd gitaar spelen.

piano

/piˈæn.oʊ/

(noun) piano;

(adverb) piano, zacht;

(adjective) zacht, stil

Voorbeeld:

She played a beautiful melody on the piano.
Ze speelde een prachtige melodie op de piano.

violin

/ˌvaɪəˈlɪn/

(noun) viool

Voorbeeld:

She plays the violin beautifully.
Ze speelt prachtig viool.

sport

/spɔːrt/

(noun) sport, sportsman, sportieveling;

(verb) dragen, pronken met

Voorbeeld:

Football is a popular sport.
Voetbal is een populaire sport.

swimming

/ˈswɪm.ɪŋ/

(noun) zwemmen, zwemsport;

(adjective) zwemmend, duizelend

Voorbeeld:

She goes swimming every morning.
Ze gaat elke ochtend zwemmen.

soccer

/ˈsɑː.kɚ/

(noun) voetbal

Voorbeeld:

My favorite sport to watch is soccer.
Mijn favoriete sport om naar te kijken is voetbal.

baseball

/ˈbeɪs.bɑːl/

(noun) honkbal

Voorbeeld:

My son loves to play baseball every weekend.
Mijn zoon speelt elk weekend graag honkbal.

volleyball

/ˈvɑː.li.bɑːl/

(noun) volleybal

Voorbeeld:

They played a game of volleyball on the beach.
Ze speelden een potje volleybal op het strand.

hiking

/ˈhaɪ.kɪŋ/

(noun) wandelen, trekking;

(verb) wandelend, trekkend

Voorbeeld:

We went hiking in the mountains last weekend.
We zijn vorig weekend gaan wandelen in de bergen.

tennis

/ˈten.ɪs/

(noun) tennis

Voorbeeld:

She plays tennis every Saturday morning.
Ze speelt elke zaterdagochtend tennis.

bicycle

/ˈbaɪ.sə.kəl/

(noun) fiets;

(verb) fietsen

Voorbeeld:

He rode his bicycle to work every day.
Hij fietste elke dag naar zijn werk.

cycling

/ˈsaɪ.klɪŋ/

(noun) fietsen, wielrennen;

(adjective) cyclisch, rondgaand

Voorbeeld:

He enjoys cycling in the countryside.
Hij geniet van fietsen op het platteland.

drawing

/ˈdrɑː.ɪŋ/

(noun) tekening, tekenen, het tekenen

Voorbeeld:

She showed me a beautiful drawing of a landscape.
Ze liet me een prachtige tekening van een landschap zien.

photography

/fəˈtɑː.ɡrə.fi/

(noun) fotografie

Voorbeeld:

She is studying photography at art school.
Ze studeert fotografie aan de kunstacademie.

dancing

/ˈdæn.sɪŋ/

(noun) dansen, het dansen;

(verb) dansend, aan het dansen

Voorbeeld:

She loves dancing to pop music.
Ze houdt van dansen op popmuziek.

game

/ɡeɪm/

(noun) spel, sport, wild;

(verb) manipuleren, bedriegen;

(adjective) bereid, enthousiast

Voorbeeld:

Let's play a board game tonight.
Laten we vanavond een bordspel spelen.

video game

/ˈvɪd.i.oʊ ˌɡeɪm/

(noun) videogame, computerspel

Voorbeeld:

My son spends hours playing video games.
Mijn zoon besteedt uren aan het spelen van videogames.

board game

/ˈbɔːrd ˌɡeɪm/

(noun) bordspel

Voorbeeld:

We spent the evening playing a board game.
We brachten de avond door met het spelen van een bordspel.

newspaper

/ˈnuːzˌpeɪ.pɚ/

(noun) krant

Voorbeeld:

I read the newspaper every morning with my coffee.
Ik lees elke ochtend de krant bij mijn koffie.

magazine

/ˌmæɡ.əˈziːn/

(noun) tijdschrift, magazine, magazijn

Voorbeeld:

She subscribes to a fashion magazine.
Ze abonneert zich op een modetijdschrift.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland