Avatar of Vocabulary Set A0 - Sport

Vocabulaireverzameling A0 - Sport in A0 - Woordenschat voor beginners: Volledige en gedetailleerde lijst

De vocabulaireverzameling 'A0 - Sport' in 'A0 - Woordenschat voor beginners' is zorgvuldig geselecteerd uit standaard internationale lesboekbronnen, helpt je de vocabulaire in korte tijd onder de knie te krijgen. Volledige compilatie van definities, illustratieve voorbeelden en standaarduitspraak...

Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland

Nu leren

football

/ˈfʊt.bɑːl/

(noun) voetbal, football, rugbybal

Voorbeeld:

He loves watching football on Sundays.
Hij kijkt graag naar voetbal op zondag.

tennis

/ˈten.ɪs/

(noun) tennis

Voorbeeld:

She plays tennis every Saturday morning.
Ze speelt elke zaterdagochtend tennis.

hockey

/ˈhɑː.ki/

(noun) ijshockey, hockey, veldhockey

Voorbeeld:

He plays hockey every winter.
Hij speelt elke winter hockey.

basketball

/ˈbæs.kət.bɑːl/

(noun) basketbal

Voorbeeld:

My favorite sport to watch is basketball.
Mijn favoriete sport om naar te kijken is basketbal.

ball

/bɑːl/

(noun) bal, dansfeest;

(verb) ballen, opballen

Voorbeeld:

The children were playing with a red ball in the park.
De kinderen speelden met een rode bal in het park.

baseball

/ˈbeɪs.bɑːl/

(noun) honkbal

Voorbeeld:

My son loves to play baseball every weekend.
Mijn zoon speelt elk weekend graag honkbal.

table tennis

/ˈteɪ.bəl ˌten.ɪs/

(noun) tafeltennis, pingpong

Voorbeeld:

Do you want to play a game of table tennis?
Wil je een potje tafeltennis spelen?

jump

/dʒʌmp/

(verb) springen, hossen, schieten;

(noun) sprong, hup, stijging

Voorbeeld:

The cat jumped onto the table.
De kat sprong op tafel.

throw

/θroʊ/

(verb) gooien, werpen, omverwerpen;

(noun) worp, gooi, plaid

Voorbeeld:

He decided to throw the ball to his dog.
Hij besloot de bal naar zijn hond te gooien.

swimming

/ˈswɪm.ɪŋ/

(noun) zwemmen, zwemsport;

(adjective) zwemmend, duizelend

Voorbeeld:

She goes swimming every morning.
Ze gaat elke ochtend zwemmen.

badminton

/ˈbæd.mɪn.tən/

(noun) badminton

Voorbeeld:

We played a game of badminton in the park.
We speelden een potje badminton in het park.

catch

/kætʃ/

(verb) vangen, grijpen, betrappen;

(noun) vangbal, vangspel, addertje onder het gras

Voorbeeld:

She managed to catch the ball with one hand.
Ze slaagde erin de bal met één hand te vangen.

sport

/spɔːrt/

(noun) sport, sportsman, sportieveling;

(verb) dragen, pronken met

Voorbeeld:

Football is a popular sport.
Voetbal is een populaire sport.
Leer deze vocabulaireverzameling op Lingoland