Betekenis van het woord visits in het Nederlands

Wat betekent visits in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

visits

US /ˈvɪz.ɪts/
UK /ˈvɪz.ɪts/

Zelfstandig Naamwoord

bezoeken, bezoek

an act of going to see a person or place as a guest, tourist, or for some other purpose

Voorbeeld:
We had many visits from relatives during the holidays.
We hadden veel bezoeken van familieleden tijdens de feestdagen.
The museum recorded a record number of visits last year.
Het museum registreerde vorig jaar een recordaantal bezoeken.

Werkwoord

bezoekt, gaat bezoeken

goes to see a person or place, typically as a guest, tourist, or for some other purpose

Voorbeeld:
She often visits her grandmother on weekends.
Ze bezoekt haar grootmoeder vaak in het weekend.
The doctor visits patients at their homes.
De dokter bezoekt patiënten thuis.