Betekenis van het woord "to have" in het Nederlands

Wat betekent "to have" in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

to have

US /tə hæv/
UK /tə hæv/

Hulpwerkwoord

hebben

used with a past participle to form the perfect tenses

Voorbeeld:
I have finished my homework.
Ik heb mijn huiswerk afgemaakt.
She has lived here for five years.
Ze heeft hier vijf jaar gewoond.

Werkwoord

1.

hebben, bezitten

possess, own, or hold

Voorbeeld:
I have a new car.
Ik heb een nieuwe auto.
Do you have any money?
Heb je geld?
2.

ervaren, ondergaan

experience or undergo

Voorbeeld:
We had a great time at the party.
We hadden een geweldige tijd op het feest.
She had a dream about flying.
Ze had een droom over vliegen.
3.

eten, drinken

eat or drink

Voorbeeld:
Let's have dinner together.
Laten we samen eten.
I'll have a cup of coffee.
Ik neem een kop koffie.
4.

moeten

be obliged or required to do something (used with 'to')

Voorbeeld:
I have to go now.
Ik moet nu gaan.
You have to follow the rules.
Je moet de regels volgen.