Betekenis van het woord shit in het Nederlands

Wat betekent shit in het Engels? Ontdek de betekenis, uitspraak en specifiek gebruik van dit woord met Lingoland

shit

US /ʃɪt/
UK /ʃɪt/

Zelfstandig Naamwoord

1.

poep, stront

feces; excrement

Voorbeeld:
The dog left shit all over the carpet.
De hond liet overal poep op het tapijt achter.
I stepped in some dog shit.
Ik stapte in wat hondenpoep.
2.

onzin, flauwekul

nonsense; rubbish

Voorbeeld:
Don't listen to that shit he's talking.
Luister niet naar die onzin die hij uitkraamt.
This movie is pure shit.
Deze film is pure stront.
3.

etter, rotzak

a contemptible or worthless person

Voorbeeld:
He's a real piece of shit for what he did.
Hij is echt een stuk stront voor wat hij heeft gedaan.
Don't be such a little shit.
Wees niet zo'n kleine etter.

Werkwoord

poepen, schijten

to defecate

Voorbeeld:
I really need to shit.
Ik moet echt poepen.
The baby shit in his diaper.
De baby heeft in zijn luier gepoept.

Uitroep

shit, verdomme

used to express anger, annoyance, or disgust

Voorbeeld:
Oh, shit! I forgot my wallet.
Oh, shit! Ik ben mijn portemonnee vergeten.
Shit! That hurt!
Verdomme! Dat deed pijn!